Voor het bekijken van deze website heeft u de Adobe Flash Player nodig. Deze kunt u gratis hier downloaden. Het kost slechts enkele minuten van uw tijd.

Welkom


Nieuws

Met duivels genoegen: Oktober 2008 verschijnt de nieuwe thriller van Kathy Reichs. lees de voorpublicatie

Bones, de serie - elke maandagavond op RTL4
Een cynische en eenzame forensisch antropoloog en een eigenwijze FBI-agent werken samen om langlopende moordzaken op te lossen.


Ik voel me vereerd dat u een bezoekje brengt aan mijn Nederlandse website. Bedankt voor uw tijd en belangstelling! Ik hoop dat u hier interessante dingen vindt en nog vaak terugkomt, want de site wordt regelmatig bijgewerkt. Mijn website biedt een bescheiden inzicht in mijn wereld; een mengeling van de forensische wetenschap en de internationale uitgeefwereld. Ik probeer een en ander altijd zo goed mogelijk te beschrijven om daarmee mijn wereld dichter bij die van u te brengen. Wat ons samenbrengt is het wonder van de vertelkunst, een oeroude traditie en tegelijkertijd juist iets heel alledaags, iets wat al sinds het begin van onze geschiedenis van generatie op generatie wordt gekoesterd omdat het de verbeelding prikkelt van eenieder die zich eraan overgeeft. Samen zorgen we voor een ervaring waar u telkens opnieuw van kunt genieten.

Kathy Reichs

P.S. neem ook eens een kijkje op mijn Amerikaanse site



Boeken

Met duivels genoegen (2008)

Als een loodgieter per ongeluk een keldermuur kapotslaat, doet hij daarachter een gruwelijke ontdekking. Forensisch antropoloog dr. Temperance Brennan wordt opgeroepen, en wat haar in de kelder wacht is een ritualistisch tafereel: geslachte kippen en een geit; op een altaar een halfvergane schedel. Worden er mensen geofferd? Tempe probeert haar emoties en haar fantasie in bedwang te houden, maar dan doet ze nog een vreselijke ontdekking. Ze had met geen mogelijkheid kunnen voorspellen welke kant deze zaak op zou gaan – en hoe meer Tempe te weten komt, hoe groter het gevaar waar ze zelf in verkeert…










Voorpublicatie
ISBN 978 90 225 4975 9
Prijs 18,95
Niet leverbaar, verschijnt Oktober 2008



Tot stof vergaan (2007)













Voorpublicatie
ISBN 978 90 225 49 421
Prijs 12,50
Leverbaar



Gebroken (2007)

Temperance Brennan werkt met haar studenten op een eeuwenoude Indiaanse begraafplaats. Het onderzoek zit er bijna op als Tempe tussen de oude beenderen een recent skelet opgraaft. Ook op andere plaatsen worden lichamen gevonden; allemaal vertonen ze beschadigingen aan de botten, en de slachtoffers lijken gewurgd te zijn. Emma Rousseau, de plaatselijke lijkschouwer, doet een dringend beroep op Tempe om haar bij te staan. Tempe op haar beurt krijgt hulp van haar ex-man en van haar nieuwe partner, rechercheur Ryan. En door deze samenwerking wordt haar privéleven flink op zijn kop gezet









Voorpublicatie
ISBN 978 90 225 4658 1
Prijs 18,95
Leverbaar

Begraven beenderen (2005)

Er wordt een half vergaan lichaam gevonden dat flink is toegetakeld door wilde dieren. Forensisch antropoloog Temperance Brennan wordt ingeschakeld om uit te vinden wat er met de dode man, een orthodoxe jood, is gebeurd, maar ook zij staat voor een raadsel. Was het moord of was het zelfmoord? En de zaak wordt alleen nog maar ingewikkelder als blijkt dat zijn familie en vrienden tegenstrijdige verklaringen aflegden. Dan speelt een onbekende haar een foto toe waarop een skelet is afgebeeld, dat de sleutel zou moeten zijn tot het mysterie. Samen met rechercheur Ryan besluit Temperance de zaak tot op de bodem uit te zoeken. Hun speurtocht leidt hen uiteindelijk naar Israël en het onderzoek neemt een bizarre wending. Temperance hoort geruchten over een beenderhuis op het rotsplateau Masada, een lijkkleed en een tombe waar de overblijfselen van de familie van Jezus gevonden zouden zijn. Maar hoe meer ze zich vastbijt in de geschiedenis van het geheimzinnige skelet, hoe gevaarlijker het voor haarzelf wordt…








ISBN 978 90 225 4945 2
Prijs 12,50
Leverbaar

Fatale maandag (2004)

Het is een kille, koude dag in december. Temperance Brennan is in Montréal om als getuige-deskundige op te treden in een moordzaak, als ze wordt opgeroepen om een opgraving in de kelder van een restaurant te begeleiden. In ondiepe graven ontdekt Tempe de skeletten van drie jonge vrouwen. Rechercheur Luc Claudel is echter van mening dat de botten oud zijn en daardoor niet zijn verantwoordelijkheid. Bovendien zijn er bij de lichamen negentiende-eeuwse knopen gevonden, een extra aanwijzing dat de botten niet van recente datum zijn. Maar Tempe heeft ernstige twijfels. Er klopt iets niet. In het lab start ze een onderzoek om de leeftijd van de botten te kunnen bepalen. Tempe gaat zich langzaamaan realiseren dat deze vondst een lugubere imitatie is van een zaak uit het verleden. Als zij gelijk heeft, zal Claudel een driedubbele moord moeten onderzoeken. En dat is zeker zijn verantwoordelijkheid…







ISBN 90 78 90 225 4755 7
Prijs 7,95
Leverbaar

Fatale vondst (2003)

Het is een hete zomer in Charlotte, Noord-Carolina. Temperance Brennan staat op het punt de deur van het laboratorium achter zich dicht te trekken voor haar eerste vakantie sinds jaren als ze de opdracht krijgt om een urgente zaak te onderzoeken. In een houtkachel zijn de geblakerde overblijfselen van een pasgeboren baby gevonden en de moeder, Tamela Banks, zelf nog bijna een kind, is verdwenen. Elders stort een vliegtuigje neer in een maïsveld, waarbij piloot en passagier omkomen. Aan hun verbrande lichamen kleeft een vreemde zwarte substantie. En tenslotte graaft Tempes hond Boyd tijdens een gezellige barbecue onbekende beenderen op, die haar voor een nog groter raadsel plaatsen.








Niet meer leverbaar

Fatale geheimen (2002)

Bij de ontdekking van een massagraf waarin drieëntwintig slachtoffers worden aangetroffen, wordt de hulp ingeroepen van Temperance Brennan als forensisch expert. Ondanks haar turbulente privéleven reist Brennan af naar het dorpje Chupan Ya in Guatemala. Nauwelijks is ze haar onderzoek gestart of Tempe ontdekt dat het heden nog meer gruwelijkheden in petto heeft. In Guatemala City worden vier meisjes vermist, onder wie de dochter van een hoge regeringsambtenaar. Wanneer ook nog een jonge archeoloog op brute wijze wordt vermoord, bekruipt Tempe het onaangename gevoel dat dit wel eens een bijzonder lastige zaak zou kunnen worden. En dat blijkt nog eens overduidelijk als ze tijdens haar onderzoek veel tegenwerking ondervindt van een recalcitrante officier van justitie en corrupte plaatselijke ambtenaren. Een en ander brengt Brennan op het idee dat zij wel eens het volgende slachtoffer zou kunnen zijn.







Niet meer leverbaar

Fatale vlucht (2002)

Een vliegtuig met achtentwintig passagiers stort neer in de bergen van Noord-Carolina. Temperance Brennan maakt deel uit van het regionale rampenteam en haast zich naar de plaats des onheils om mee te helpen bij het identificeren van de slachtoffers. Tempe heeft in haar beroepsleven al veel gezien en meegemaakt,maar wat zij nu aantreft overtreft werkelijk alles. Over de ware toedracht van de ramp – technische storing of terreurdaad? – lopen de meningen van collega’s van de FBI en andere instanties ver uiteen,tot Tempe in de bossen een voet vindt waarvan zij vaststelt dat deze onmogelijk van een van de passagiers kan zijn geweest. Met hulp van rechercheur Andrew Ryan uit Montréal begint ze haar onderzoek naar de herkomst van de voet. Met onverwacht gevolg:vrijwel meteen wordt ze op non-actief gesteld en trekt men haar betrouwbaarheid publiekelijk in twijfel. Dat geeft te denken. Uiteraard trekt ze zich niets aan van de beschuldigingen,ze zet door tot de onderste steen boven komt.







Niet meer leverbaar

Fatale keuze (1999)

De negenjarige Emily Anne wordt op weg naar balletles doodgeschoten op straat. Een tiener uit Noord-Carolina verdwijnt spoorloos en delen van haar skelet worden honderden kilometers van huis gevonden. Temperance Brennan onderzoekt de tragische dood van de twee jonge meisjes en volgt een spoor dat leidt naar de bizarre, gewelddadige wereld van twee rivaliserende motorbendes. Als er nog meer doden vallen, haar baas Pierre LaManche in het ziekenhuis belandt en haar vriend, rechercheur Andrew Ryan, onbereikbaar is vanwege een undercoveroperatie, gaat Tempe alleen de strijd aan in een cultuur waarin het kwaad vaak een masker draagt. Met behulp van haar forensisch vakmanschap en foto’s uit het verleden, ontrafelt Tempe geleidelijk aan het mysterie. Eén misstap kan fataal zijn, voor haar, of voor haar naaste









Niet meer leverbaar

Fatale dag (1999)

Het is bitterkoud op de kloosterbegraafplaats in Montréal. Temperance zoekt er naar het overschot van zuster Elisabeth Nicolet, die op de nominatie staat om heilig te worden verklaard. Na een brand in een landhuis worden de lichamen aangetroffen van twee mensen die op gruwelijke wijze om het leven zijn gekomen. Het is aan Tempe om de gebeurtenissen te reconstrueren. Bijgestaan door rechercheur Ryan begint ze haar onderzoek en vanaf het eerste moment worden ze de wereld van een mysterieuze commune binnengetrokken. Een ijzingwekkende tocht volgt, van mortuarium naar forensisch laboratorium en van de broeierige hitte van een tropisch eiland terug naar de Canadese winterkou. Fatale dag is ook verschenen onder de titels Dag des Oordeels en Death du Jour .









Niet meer leverbaar

Bot voor bot (1997)

Wanneer twee bouwvakkers de resten van een lijk hebben aangetroffen op het terrein van Le Grand Seminaire, midden in de stad, wordt Tempe opgeroepen het lichaam te onderzoeken. Ze constateert tot haar afgrijzen dat het lijk geen hoofd meer heeft en dat ook de ledematen zijn verwijderd. Tijdens de autopsie signaleert Tempe bovendien opmerkelijke overeenkomsten tussen het lijk van de vrouw en dat van een zestienjarig meisje op wie zij vorig jaar autopsie verrichtte. Werden beide vrouwen het slachtoffer van dezelfde moordenaar?









ISBN 978 90 225 4921 6
Prijs 7,95
Leverbaar

Diep begraven

Bones – Diep begraven is het boek van de nieuwe spectaculaire televisieserie, die te zien is op RTL 5. De serie is gebaseerd op de hoofdpersoon in de boeken van Kathy Reichs en op haar eigen leven. De televisieserie Bones is de opvolger van CSI. Bones – Diep begraven is geschreven door Max Allan Collins, de auteur van de succesvolle boeken van CSI.










Niet meer leverbaar



Biografie

Kathy Reichs

Kathy Reichs is als forensisch antropoloog verbonden aan het forensisch lab van de staat Noord-Carolina en aan het Laboratoire des Sciences Judiciaires et de Médecine Légale, de gerechtelijke medische dienst van de provincie Quebec in Canada. Ze behoort tot een van de slechts vijftig forensisch antropologen die officieel zijn benoemd door de Board of Forensic Antropology en ze maakt deel uit van het dagelijks bestuur van de American Academy of Forensic Science. Dr. Reichs groeide op in Chicago, waar ze aan de medische faculteit van de Northwestern University afstudeerde. Tegenwoordig verdeelt ze haar tijd tussen Charlotte, Noord-Carolina en Montréal, Quebec en wordt ze regelmatig als getuige-deskundige opgeroepen bij rechtszaken. Haar werk als forensisch antropoloog wordt internationaal erkend. In Rwanda heeft ze als getuige-deskundige over de genocide opgetreden voor het VN-tribunaal; ze heeft geholpen met het identificeren van slachtoffers uit massagraven in Guatemala en ze heeft forensisch werk verr icht op Ground Zero in New York. Voor de CILHI, het centrale laboratorium voor identificatie op Hawaii, heeft ze slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog uit heel Zuidoost-Azië geïdentificeerd. Ze heeft zelfs de resten uit het graf van de Onbekende Soldaat onderzocht.Haar ervaring als forensisch antropoloog vormt de basis voor haar succes als schrijfster. Elk nieuw verhaal is gebaseerd op een aspect van haar vakgebied en het classificeren van weefsels zoals dat bij haar dagelijkse werk aan de orde komt, en wat haar hoofdpersonage, Temperance Brennan, zo authentiek maakt. De Temperance Brennan-reeks bestaat inmiddels uit de titels Déjà Dead(Bot voor bot), Fatale dag, Fatale keuze, Fatale vlucht, Fatale geheimen, Fatale vondst, Fatale maandag, Begraven beenderen, Gebroken, Tot stof vergaan, en vanaf oktober: Met duivels genoegen Kijk onder de link MIJN BOEKEN voor een exclusieve voorpublicatie!

Achtergrond

Met haar eerste misdaadroman, Déjà Dead, maakte Kathy Reichs al meteen naam toen het boek een New York Times-bestseller werd en in 1997 de Ellis Award voor het beste debuut in de wacht sleepte. Temperance Brennan maakte in Déjà Dead voor het eerst haar opwachting en is sindsdien niet weg te denken uit de boeken van Kathy Reichs. Hoewel de boeken een serie vormen kunnen ze ook prima los gelezen worden. Of Kathy Reichs nu in Quantico FBI-agenten opleidt in het opsporen en opgraven van lijken, of in haar lab in Montréal talloze menselijke resten separeert en identificeert, als forensisch antropoloog heeft ze haar indringende professionele ervaringen verwerkt in pakkende thrillers. Ze werkt nog altijd fulltime voor het forensisch lab van de staat Noord-Carolina, en voor het Laboratoire de Science Judiciaires et de Médecine Légale voor de provincie Quebec. Verder is ze als hoogleraar verbonden aan de sociologische en antropologische faculteiten van de staatsuniversiteit in Charlotte, Noord-Carolina. Ze is e en van de slechts vijftig officieel benoemde onderzoekers door de Board of Forensic Antropology. Kathy Reichs reisde naar Rwanda om voor het VN-tribunaal te getuigen over de genocide. Voor de CILHI heeft ze slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog uit heel Zuidoost-Azië geïdentificeerd. Ze heeft zelfs de resten uit het graf van de Onbekende Soldaat onderzocht. Valt haar werk haar niet zwaar? ‘Je went eraan,’ is haar antwoord. ‘Ik ben niet echt dol op maden, maar je doet je maskertje voor, je schort om, je trekt je latex handschoenen aan en je gaat aan de slag.’ Kathy Reichs groeide op in Chicago, waar ze afstudeerde aan de medische faculteit van de Northwestern University. Tegenwoordig verdeelt ze haar tijd tussen Charlotte en Montréal.'&close=true



Interviews

Op deze pagina ........

Kathy Reichs en John Douglas praten over hun werk
Het HBO.com-vragenuurtje met auteur en forensisch antropoloog Kathy Reichs

Kathy Reichs en John Douglas praten over hun werk Op 6 maart 2000 vond er een ontmoeting plaats tussen de succesvolle schrijvers Kathy Reichs, forensisch antropoloog, en John Douglas, een vermaard profiler bij de FBI – wat inhoudt dat hij als gedragsdeskundige daderprofielen opstelt – en tevens auteur. Het doel van deze ontmoeting was te praten over hun manier van schrijven, over misdaadromans en over het oplossen van echte misdaden. Voormalig boekrecensent voor de Hartford Courant Jocelyn McClurg trad op als gespreksleider.

Jocelyn McClurg: ‘Ik wil het even hebben over de vraag waarom wij als lezers zo geïnteresseerd zijn in moord. Kathy, in je roman Fatale keuze zegt je alter ego, forensisch antropoloog Temperance Brennan: “Een gewelddadige dood is de definitieve inbreuk. En de moordonderzoeker is de ultieme voyeur.” Ik wil zowel jou als John vragen: zijn lezers van misdaadromans en thrillers ook voyeurs? Waarom zijn wij zo gefascineerd door moord? En misschien kunnen jullie als professionals op dit gebied ook iets zeggen over jullie eigen belangstelling voor het onderwerp?’

Kathy Reichs: ‘Nou, volgens mij zijn lezers van misdaadromans beslist voyeurs. Waarom ze zo geïntrigeerd zijn door moord en de dood is lastiger te verklaren. Maar volgens mij lees je thrillers en detectives, van Sherlock Holmes tot en met wie dan ook, omdat je er indirect bij betrokken kunt zijn of kunt observeren zonder jezelf echt in gevaar te brengen. Je bent in staat je een weg te banen door de hele situatie. Het andere aspect dat zo bevredigend is aan een thriller is dat een moord doorgaans wordt opgelost. Goed wint het van kwaad, en de slechterik belandt uiteindelijk achter de tralies of het wordt hem of haar onmogelijk gemaakt om die vorm van geweld opnieuw uit te oefenen. Daarin schuilt volgens mij het leesplezier. Wat zo aantrekkelijk is aan de moderne thriller en het soort boeken dat ik schrijf, of het opstellen van profielen, is dat er een wetenschappelijk element aan wordt toegevoegd in plaats van de intuïtieve benadering te volgen die misschien kenmerkender is voor een aantal oudere en een aantal moderne thrillerauteurs. Op de vraag “wie heeft het gedaan?”, die je in elke whodunit tegenkomt, laten wij de wetenschap los, denk ik.’

John Douglas: ‘Ik ben het helemaal met Kathy eens. En volgens mij komt het in wezen neer op een belangstelling in wat wij schrijvers ouderwets omschrijven als “de menselijke aard”. We willen weten waarom mensen zijn zoals ze zijn. In de dingen waar Kathy en ik allebei over schrijven, of het nu fictie of non-fictie is en ik doe allebei - en Kathy schrijft naast haar niet-literaire werk als antropoloog ook romans - zoeken we dus naar het waarom. En waar we eigenlijk over schrijven, zijn de basiselementen van de menselijke aard: jaloezie, hebzucht, wraak, liefde, haat. Ik bedoel, dat zijn allemaal oerdriften. En de thriller, of het nu om een echte misdaad of om fictie gaat, stelt ons in staat die oerelementen waarin we allemaal geïnteresseerd zijn op een heel rauwe manier aan te pakken. Als gevolg daarvan kunnen we dit indirect meebeleven, zoals Kathy zegt, zonder dat we zelf het leed hoeven te ondergaan. En in een ander opzicht biedt het de lezer volgens mij een venster naar een wereld waar hij, of zij natuurlijk, niets over weet. De werkmethode van een rechercheur bijvoorbeeld, of het nu een FBI-agent, een politieagent of een journalist is.’

Jocelyn: ‘Wat hebben jullie geleerd over de menselijke aard?’

John Douglas: ‘Het komt allemaal neer op de grote vraag: “Waarom?” Waarom doen mensen de dingen die ze doen? Ik denk dat Kathy het wel met me eens is als ik zeg dat iedereen wel eens moordzuchtige gedachten en woedeaanvallen heeft gehad. Maar wat weerhoudt de meesten onder ons van geweld en maakt dat we ons inhouden, terwijl dat bij anderen niet lukt? Wat maakt mensen zo verderfelijk dat ze de dingen doen die ze doen? Wat onder andere zo fascineert aan de Jack the Ripper-moorden is dat het de eerste keer was dat de samenleving moest leren leven met het idee dat de mens tot willekeurig kwaad in staat is. Dat iemand zonder duidelijke reden, alleen omdat het hem voldoening schonk, vreemden vermoordde. En in Kathy’s werk vind je daar volgens mij veel van terug.’

Pat: ‘Ik las een profiel van Patricia Highsmith, die Vreemden in de trein en Ripley, een man van talent schreef. Zij was van mening dat de mens een dunne scheidslijn bewandelt. Dat iedereen bij het minste of geringste tot het grootste kwaad in staat is. John is zijn hele leven al bezig dat te achterhalen. En Kathy, jij ontmoet deze mensen. Ik bedoel, je bent vast verbijsterd door alle ellende die je tegenkomt, want ik denk dat wij als moderne mensen toch geneigd zijn te denken dat één kogel wel genoeg is. Een goede mep op het hoofd, en je bent er geweest. En toch, jij hebt altijd gezegd dat botten niet liegen. Jij ziet steeds identieke verwondingen. Je moet over die woede hebben nagedacht.’

John Douglas: ‘Ja, wij noemen dit “overkill”.’

Kathy Reichs: ‘Precies, overkill. Ik richt me met name op het werk met stoffelijke bewijzen. Ik houd me meer bezig met de slachtoffers dan met de daders. Mij wordt vaak gevraagd: “Communiceert u echt met de gezinnen en met de daders?” En dat is zelden het geval. Ik zie de dader in de rechtszaal als ik optreedt als getuige. Over het algemeen laat het me koud. Wel ben ik altijd geschokt door hoe volkomen normaal ze eruitzien. Ze lijken meestal op een oom van me. Ik kijk meer naar het slachtoffer en naar de manier waarop het is gedaan. Weet je, ik krijg het ontbonden lichaam, het verbrande lijk of de schedel met het breukpatroon onder ogen, dus ik ben vooral bezig met het stoffelijke bewijsmateriaal en ik probeer uit te zoeken wat er is gebeurd, hoe het is gebeurd en wat het slachtoffer werd aangedaan. Natuurlijk speculeer je dan wel eens over het waarom. Waarom werd iemand drieënvijftig keer op zijn hoofd geslagen? Of honderdzes keer met een mes gestoken voordat zijn hoofd en handen eraf werden gesneden? Maar wanneer ik in mijn boeken de emotionele, de menselijke kant beschrijf, dan is dat gezien vanuit degenen onder ons die met het slachtoffer werken, die de rommel opruimen die werd veroorzaakt door types van wie John en Mark een profiel proberen op te stellen. Ik richt me niet op de vraag waarom ze dit het slachtoffer hebben aangedaan. Als ik over gevoelens speculeer of praat, heeft het meer van doen met mensen die aan de kant van de wetshandhaving zitten.’

Jocelyn: ‘Ik heb een vraag die aansluit op jouw opmerkingen. John, jij hebt geschreven dat je als profiler van een seriemoordenaar in het hoofd moet kruipen van je onderwerp om de misdaad door de ogen van de dader te kunnen zien. Kathy, ik kan me voorstellen dat je als schrijfster tot op zekere hoogte hetzelfde doet. Hoe onaangenaam is het om te proberen in het hoofd van een misdadig individu te kruipen? En hoe denk je over deze figuren als je over hen schrijft?’

John Douglas: ‘Nou, ik zou willen zeggen dat een van de grote misverstanden over fictie en thrillers – en Kathy maakt zich daar in de drie boeken die ik van haar heb gelezen gelukkig niet schuldig aan – is dat er dit mystieke idee lijkt te bestaan dat de beste rechercheur of de beste profiler iemand is die over de ongelofelijke gave beschikt om als een crimineel te denken. Om in het hoofd van de crimineel te kruipen en echt te denken zoals hij denkt. Natuurlijk doen profilers dat. Nou en? Ik bedoel, dat vormt min of meer de basis, en is niet een of ander speciaal talent. Als je recherchewerk wilt doen, kun je daar maar beter mee behept zijn. En van daaruit ga je verder. Als je denkt dat het een bijzondere vaardigheid is, dan steek je een beetje de draak met het hele onderwerp. Natuurlijk moet je als een crimineel kunnen denken. Of zoals Kathy in haar onderzoekswerk in staat moet zijn om vanuit het stoffelijke bewijs terug te werken. Dat staat vast. Als je denkt dat een rechercheur een bijzondere gave heeft, simplificeer je de hele zaak.’

Jocelyn: ‘Je had het over de vraag waarom een moordenaar moordt. Ik denk dat ik dat bedoel. Dat je je dat op een fictief niveau moet kunnen voorstellen.’

John Douglas: ‘Wat de meeste mensen volgens mij heel moeilijk te begrijpen vinden en wat wij proberen uit te leggen is dat het type moordenaar waar wij het over hebben – de seksueel gedreven recidivist, seriemoordenaar, verkrachter en lustmoordenaar – moordt omdat hij ervan geniet, omdat hij het lekker vindt. Het schenkt hem bevrediging op een manier waar niets anders aan kan tippen. En mensen kunnen heel moeilijk bevatten dat hij het doet omdat hij het wil. Dat is tenminste mijn ervaring.’

Kathy Reichs: ‘En in de boeken die ik heb geschreven, passeren heel verschillende motivaties de revue. Déjà Dead lijkt meer op wat John en Mark Olshaker doen – een boek over een seriemoordenaar. Fatale dag gaat over een sekte, waarbij je een totaal andere psychologische opbouw hebt. Het is heel andere reden waarom iemand niet alleen zichzelf naar de andere wereld zou kunnen helpen, maar bovendien een groot aantal anderen met zich zou meenemen. En mijn derde boek, Fatale keuze, handelt over motorbendes. Hierin gaat het weer over heel andere motieven: puur economische, zakelijke motieven; er wordt uit winstbejag gehandeld. Dus speculeren doe je altijd wel. Telkens wanneer ik een stapel botten voor mijn neus krijg, of een verkoold lichaam of een ontbonden lijk uit de rivier, ga ik natuurlijk speculeren. Ook al probeer je als wetenschapper naar het stoffelijke bewijs te kijken, je speculeert wel degelijk over de vraag waarom het slachtoffer werd vermoord. Waarom pleegde hij of zij zelfmoord? Ik heb namelijk niet alleen maar met moorden te maken. Dat is een van de dingen die ik in mijn personage wil oproepen. Om het even wie Tempe voor zich heeft liggen en hoe akelig het ook is: het blijft een mens. En je zult je altijd een beeld vormen van wie die mens was toen hij nog leefde, en wat hem is overkomen. Zelfs toen ik nog aan archeologie deed en werkte met botten van vijf- of tienduizend jaar oud spookte het al door mijn hoofd: wat dacht deze mens op de laatste dag van zijn leven?’

Jocelyn: ‘Kathy, waardoor wilde je gaan schrijven over wat je voor de kost doet?’

Kathy Reichs: (LACHT) ‘Nou, toen ik in 1994 aan Déjà Dead begon, waren er een paar dingen die samenvielen. Ik was net klaar met een zaak van een seriemoordenaar in Montréal. Daarin had ik als getuige-deskundige opgetreden. Ook was ik net hoogleraar geworden, dus ik kreeg wat meer vrijheid om te doen waar ik zin in had. Fictie schrijven als medewerker van een vakgroep Natuurwetenschappen is heel wat anders dan wanneer je dat doet in een vakgroep Engels. Je bent min of meer verdacht. Dus ik was wat vrijer. En ik ging om de tafel zitten met Bill Maples, een goede vriend van me, die net een boek uit had, Dead Men Do Tell Tales: The Strange and Fascinating Cases of a Forensic Anthropologist.’

John Douglas: ‘Wat, tussen twee haakjes, een heel goed boek is.’

Kathy Reichs: ‘Een voortreffelijk boek. En Bill moedigde me aan door te zetten en een poging te wagen. Dus al die dingen vielen in die tijd min of meer samen en ik besloot ervoor te gaan.’

Jocelyn: ‘We hebben het hier al even gehad, en Pat heeft het geloof ik ook genoemd, maar in een aantal opzichten wordt moord in jouw boeken vanuit twee kanten benaderd. Kathy, zoals je al hebt gezegd, houden jij en je heldin zich meer bezig met de slachtoffers en zoek je via autopsie en bottenanalyse naar aanwijzingen. John en Mark Olshaker schrijven voornamelijk over wat een seriemoordenaar drijft. Wat zijn volgens jullie de overeenkomsten en verschillen tussen jullie werk?’

John Douglas: ‘Wat wij gemeen hebben, is volgens mij dat we beiden de grote waarom-vraag beantwoord willen zien. “Waarom is dit gebeurd?” Maar eerst: “Wát is er gebeurd?” Dat is het eerste wat een rechercheur moet zien uit te zoeken. En daarna het waarom.’

Kathy Reichs: ‘Wat natuurlijk uiteindelijk leidt tot de vraag wie.’

John Douglas: ‘Precies.’

Kathy Reichs: ‘Je weet wel: “Wie is de dader?”’

John Douglas: ‘Zoals ik al eerder zei: waarom plus hoe is wie.’

Kathy Reichs: ‘Volgens mij passen we in wezen ook de wetenschappelijke methode toe. We kijken naar de bewijzen die op de plaats delict zijn achtergelaten, combineren ze en stellen een hypothese op. Vervolgens toetsen we die hypothese totdat de juiste persoon erin past. Waar ik ons werk echt zie samenkomen, is dat ik werk met de stoffelijke resten die op een plaats delict worden aangetroffen. Ik werk specifiek met het slachtoffer. En ik vermoed dat John en Mark dat in hun profiel zouden kunnen inpassen als er een patroon is, als een slachtoffer expres verborgen ligt of voor iedereen zichtbaar is achtergelaten.’

John Douglas: ‘Een van de dingen die Kathy kan uitzoeken, en dat vond ik boeiend aan haar werk, is hoeveel ze met behulp van de botten en fragmenten kan reconstrueren. En als je er achterkomt wat er echt is gebeurd, dan noemen we dat een “gedragspatroon”. En gedrag is hoe we het karakter van het “unsub”, of het onbekende onderwerp van een onderzoek, afleiden of intuïtief waarnemen. Kathy probeert in feite de identiteit van het unsub te achterhalen, snap je, of zelfs de naam en het adres. Wij willen er gewoon achterkomen hoe het karakter in elkaar zit. Maar we beginnen met de bewijzen en gedragsaanwijzingen waar zij en andere mensen mee komen.’

Kathy Reichs: ‘En voor ons allebei geldt dat we een radertje in een groter geheel zijn.’

John Douglas: ‘Precies.’

Kathy Reichs: ‘We maken deel uit van een team waarin ook mensen van ballistiek zitten, en DNA-deskundigen, de antropoloog, de profiler en de rechercheur.’

John Douglas: ‘Ja, dat is volgens mij wel belangrijk om even te benadrukken, Jocelyn. Een forensisch antropoloog pakt geen criminelen. En een profiler ook niet. Ze maken deel uit van het proces dat de mensen in de frontlinie helpt. De rechercheurs, de agenten, die pakken de criminelen.’

Jocelyn: ‘Een van jouw boeken heet The Cases That Haunt Us. Voordat we in detail treden over je boek wil ik jullie beiden vragen of er zaken zijn die jullie achtervolgen. Kathy? Zijn er zaken die niet werden opgelost, die je niet hebt doorgrond zoals je had gehoopt?’

Kathy Reichs: ‘In het grote lab in Montréal, waar medisch en juridisch onderzoek wordt verricht, heb ik mijn eigen antropologielab. En daar heb ik een magazijn vol met planken. En op elke plank staan dozen. Planken vol met dozen, waarvan elke doos een zaak bevat. En veel van die zaken zijn onopgelost. Het zijn mensen die nooit zijn geïdentificeerd, en in elke zaak is vermoedelijk ergens een gezin te vinden. Of vrienden of collega’s, die zich afvragen waar deze slachtoffers zijn. Die deze mensen missen. Dus al die zaken achtervolgen me. Sommige zitten je meer dwars dan andere, denk ik. In mijn geval heb ik een aantal kinderen met gebitswerk, kinderen wier ouders de tijd namen om ze voor hun vijfde mee naar de tandarts te nemen, maar die nooit zijn geïdentificeerd.’

Jocelyn: ‘In je boek Fatale keuze behandel je een zaak waarin er op twee verschillende locaties botten worden gevonden. Is dat op een echte zaak gebaseerd?’

Kathy Reichs: ‘Er was inderdaad een zaak die verband hield met de seriemoordenaar van Green River, waarin in één staat delen van een skelet werden gevonden en in een andere staat een schedel, en die bleken van hetzelfde slachtoffer afkomstig te zijn. Dus daar heb ik het idee vandaan.’

Jocelyn: ‘John, zijn er zaken die jou achtervolgen? Bijvoorbeeld zaken waar je niet over hebt geschreven, maar die je toch niet met rust laten?’

John Douglas: ‘O, zeker. Er zijn een aantal zaken waar we over hebben geschreven die qua tragedie en implicaties hartverscheurend zijn. Een zaak die me altijd heeft aangegrepen, was die van Sherry Faye Smith, waarover we in ons eerste boek Mindhunter hebben geschreven. Een zeventienjarig meisje uit Zuid-Carolina dat op het punt staat eindexamen te doen wordt in haar woonplaats, waar bijna geen criminaliteit is, ontvoerd terwijl ze voor een brievenbus staat. Ze wordt door een onbekende meegenomen en krijgt te horen dat ze zal worden gedood. Deze jonge vrouw was heel godsdienstig en stuurde haar ouders een laatste brief, waarin stond dat ze klaar was om te sterven. Het is waarschijnlijk het heftigste, met een misdrijf verwante document wat ik ooit heb gelezen. En de onbekende dader begint vervolgens op een vreselijk sadistische manier dat gezin te kwellen door ze op te bellen en de zus van het meisje lastig te vallen. Maar ironisch genoeg stelde juist dat sadistische telefoongesprek me in staat om de moordenaar te profileren en met een proactieve strategie te komen die uiteindelijk tot zijn arrestatie leidde.’

Jocelyn: ‘Laten we het even hebben over je boek waarin de uitermate boeiende zaak Jon en Benet Ramsey wordt beschreven. De tv-film over die zaak was verbijsterend. Maar ik geloof dat je aanvankelijk werd bekritiseerd om je werk met de Ramseys en…’

John Douglas: ‘Die kritiek krijg ik nog steeds, ja.’

Jocelyn: (LACHT) ‘En je gelooft in hun onschuld. Ik vraag me alleen maar af of je iets nieuws kunt vertellen over deze zaak, als je er tenminste over mag praten.’

John Douglas: ‘Nou, we zullen niet zozeer nieuwe feiten vernemen. We gaan alle misvattingen over deze zaak wegnemen. Want ik moet zeggen, er is zeer armetierig over geschreven. En dit is een zaak waarbij het heel lastig is alles kloppend te krijgen. Maar mijn collega, Mark Olshaker, en ik willen de hele zaak stap voor stap, gedragspatroon voor gedragspatroon doornemen en zeggen: “Waarom denken wij in tegenstelling tot wat iedereen lijkt te denken dat de ouders het niet hebben gedaan?” Ook veel van mijn collega’s bij de FBI geloven niet in de onschuld van de ouders. Wat is het toch met deze zaak? Hij lijkt een gevoelige snaar te hebben geraakt. Maar dat is met alle zaken die we in dit boek hebben behandeld eigenlijk wel het geval. Jack the Ripper gaat eigenlijk over de willekeur van het kwaad, zoals ik al zei. De zaak-Lizzie Borden gaat over het gezin en het kwaad dat daarin op de loer kan liggen. En volgens mij gaat de zaak Ramsey in feite over ouders en kinderen. Waartoe zijn ouders ten opzichte van hun kinderen toe in staat? En ik zal de eerste zijn om toe te geven dat we over tal van zaken hebben geschreven waarin ouders hun kinderen ombrengen. Deze zaak lijkt in die zin niet te kloppen. In dit boek vertellen wij waarom niet. We staan stil bij het gedragspatroon en proberen met een scenario te komen dat hout snijdt. Het is een merkwaardige zaak. Maar met welk scenario je ook op de proppen komt, ik kan je er waarschijnlijk op wijzen waarom het niet steekhoudend is. Toch zal een van die scenario’s correct zijn, en dan nog zal ik je van het tegendeel weten te overtuigen. Het is dus een heel vreemde zaak.’

Jocelyn: ‘Wat denk je, zal hij ooit worden opgelost?’

John Douglas: ‘Er blijven gewoon nog te veel vraagtekens over.’

Jocelyn: ‘Maar denk je dat hij ooit zal worden opgelost?’

John Douglas: ‘Volgens mij is die kans nog geen vijftig procent. Het zou kunnen, maar het is lastig om nieuwe bewijzen te vinden. En ik word altijd achterdochtig als mensen zo laat nog met nieuw bewijsmateriaal komen.’

Kathy Reichs: ‘En een complicerende factor in die zaak is volgens mij dat het ouderlijk huis de plaats delict was.’

John Douglas: ‘En als plek om bewijsmateriaal te vergaren was dat huis volkomen onbetrouwbaar. In tegenstelling tot een aantal zaken die Kathy doet, waarbij het bewijsmateriaal onvolledig is en je dan opeens weer iets vindt, is alles in deze zaak inmiddels wel gevonden. Ik bedoel, volgens mij valt er helemaal geen nieuw bewijs meer te onderzoeken.’

Jocelyn: ‘Hoe vaak is er sprake van verknoeid bewijsmateriaal in strafzaken? De laatste paar jaar lijken we dat zo vaak te horen. De beschuldigingen die O.J. Simpson indiende. Er is een zaak in New Haven, Connecticut, waarbij een hoogleraar van Yale de hoofdverdachte is. Hij is nooit in staat van beschuldiging gesteld in de moord op zijn student, en beweerd wordt dat ook dat een gecorrumpeerde plaats delict was.’

John Douglas: ‘Nou ja, natuurlijk, dat gebeurt waarschijnlijk regelmatig. De vraag is: “Hoe weet je hoe vaak het gebeurt?” Niemand is volmaakt, en Kathy weet er vermoedelijk meer over omdat ze veel met de politie te maken heeft, maar er is vaak sprake van gecorrumpeerd bewijsmateriaal. De vraag is: “In hoeverre is ermee geknoeid, en wat kun je nog gebruiken?” Want het is heel makkelijk om terug te kijken en te zeggen wat er anders gedaan had moeten worden. Maar als je het bewijs aan het samenstellen bent, is het erg lastig.’

Kathy Reichs: ‘Dit is het voornaamste aspect van mijn werk in Quantico. We geven een workshop body recovery voor FBI-agenten die gespecialiseerd zijn in bewijsvergaring op een plaats delict. Want het soort bewijzen waar ik mee werk, zijn natuurlijk menselijke resten. En wanneer er een lijk wordt gevonden, is de tendens om het te gaan ophalen. Ook al ligt het lijk er al twee jaar of slechts twee dagen, we moeten erheen en het onmiddellijk ophalen. Dus we leren hun specifieke technieken om niet alleen dat lijk, maar elk stukje stoffelijk bewijs te verzamelen. Of zelfs contextueel bewijs uit de omgeving, dat met het lijk in verband kan worden gebracht. Dus hopelijk wordt politiewerk steeds meer verfijnd. Ik houd me niet bezig met ballistiek, verfschilfertjes of haren en vezels. Maar dat is beslist ons doel met die cursus.’

Jocelyn: ‘Dat werpt de vraag op van een aantal zaken waar jij het over hebt in je boek, John. Zaken die enkele tientallen jaren oud zijn en in minstens één geval een zaak van inmiddels twee eeuwen geleden, geloof ik. Wat dragen jullie, als mensen die over seriemoordenaars en veel forensische aspecten schrijven, bij aan deze zaken dat ze destijds misschien oplosbaar zou hebben gemaakt?’

John Douglas: ‘Nou, als je helemaal teruggaat naar Jack the Ripper en als een aantal technieken die we nu kennen destijds ook al beschikbaar was geweest – zelfs zoiets basaals als vingerafdrukken, een techniek die een jaar of zeven later werd geïntroduceerd en pas zestien jaar na de moorden werd toegepast – zou dat waarschijnlijk wel geholpen hebben. Bloedonderzoek. Dat soort dingen. Maar het belangrijkste punt was dat er sprake was van een fundamenteel onbegrip van wat Roy Hazel, ook een expert op dit gebied, en ik een lustmoord hebben genoemd. Ik bedoel, er waren vast wel meer van dergelijke zaken geweest, maar niemand had ze ooit echt meegemaakt of wist hoe je ze kon herkennen. Ze wisten dus niet waar ze naar zochten, behalve naar een dolleman met een wilde blik. En zo ving je geen boeven. Maar wat wij in zekere zin proberen te doen is deze zaken deconstrueren. Ze hakken er behoorlijk in en lijken bij de mensen een gevoelige snaar te raken. Maar waar gaan ze echt over? En wat kunnen we er vervolgens over zeggen? En wat zegt dat over onszelf en over onze belangstelling voor deze zaken?’

Jocelyn: ‘Al sinds mijn kindertijd ben ik gefascineerd door de ontvoering van en de moord op de Lindbergh-baby. Kun je ons iets vertellen over dat hoofdstuk?’

John Douglas: ‘Ja, dat is een boeiende zaak. Mark en ik zijn in die tijd naar New Jersey geweest en hebben door het huis gelopen waar uit die baby was ontvoerd. We hebben alle kamers gezien. We waren ook in de kamer waar de baby lag, en in de kamer er pal onder, waar kolonel Lindbergh destijds zat. We hebben door de bossen gelopen waar de ontvoerder moest zijn geweest. En daarna zijn we in het politiearchief in Trenton geweest en hebben we alle bewijzen bekeken, zoals de ladder, de willekeurige aantekeningen en de kleding die de baby droeg. Een heel akelig gevoel om zo dicht bij historisch bewijsmateriaal te zijn. Maar ik kan je vertellen dat die zaak niet deugt. Vanuit gedragswetenschappelijk en vanuit forensisch oogpunt hebben we de zaak geanalyseerd, en ik kan niet zeggen dat het recht niet heeft gezegevierd, maar er klopt gewoon iets niet. We beweren niet dat Bruno Richard Haufmann, de ontvoerder en moordenaar van Charles junior, er niet bij betrokken was, want er was overtuigend bewijs tegen hem. Maar het klopt niet dat hij deze misdaad in zijn eentje zou hebben gepleegd. Als je wilt, kan ik in detail treden, maar de voornaamste reden is dat hij niet over de noodzakelijke kennis beschikte om het klaar te spelen. De feitelijke informatie. De baby lag op een plek waar hij helemaal niet geacht was te zijn. Hoe zou deze Duitse timmerman uit New York zonder enige hulp hebben geweten waar hij die avond zou zijn? En Mark en ik zijn ter plekke geweest, en konden er niet achterkomen hoe één persoon deze misdaad kon hebben gepleegd.’

Jocelyn: ‘Komen er in het boek andere zaken voor waarin jullie een iets ander standpunt innemen dan de algemene opinie?’

John Douglas: ‘Ja. We vertellen bijvoorbeeld wie Jack the Ripper volgens ons in werkelijkheid was.’

Jocelyn: ‘Daarvoor moeten we zeker het boek lezen?’

John Douglas: ‘Min of meer. Hoewel iedereen wel een theorie heeft, is onze theorie de goede, denken wij. En die zetten wij vanuit een gedragsdeskundig oogpunt uiteen. Ook vertellen we waarom al die andere ideeën, zoals dat het de hertog van Clarence, de kleinzoon van koningin Victoria, was, waarom die – hoe interessant misschien ook – idiote theorieën zijn. Volgens mij nemen we in de zaak van de wurger uit Boston een ongebruikelijke positie in. Wij denken niet dat Albert DeSalvo de zogenaamde Boston Strangler was, omdat zijn gedragspatroon gewoon niet strookt met de misdaden. Albert DeSalvo was een beruchte verkrachter, maar zijn manier van werken was heel anders. Zijn methode week zo af van de Strangler-zaken dat het praktisch onmogelijk lijkt dat hij de Boston Strangler is geweest. Wij leggen uit waarom en hopen en passant enig inzicht te geven in menselijk gedrag en motivatie. Dat is dus hetzelfde als wat Kathy in haar werk doet.’

Jocelyn: ‘Goed, Kathy, mag ik jou als iemand die zich bezighoudt met stoffelijke bewijzen vragen wat jij hiervan vindt? Denk jij wel eens dat het maken van een karakterschets wel heel speculatief is?’

Kathy Reichs: ‘Nou, wat dit aangaat, wil ik niet speculeren.’ (GELACH) ‘Maar ik geef de voorkeur aan stoffelijk bewijsmateriaal. En in een aantal van deze zaken is dat nog buitengewoon lang nadat de misdaad is gepleegd voorhanden. Op dat stoffelijke bewijs kunnen we vervolgens nieuwe technieken toepassen. De toepassing van DNA-technologie op de zaak-Sam Shepherd zou hier een voorbeeld van zijn.’

John Douglas: ‘En hetzelfde wordt in feite gedaan met de Boston Strangler, heb ik begrepen. Ik geloof dat ze met sperma- of bloedmonsters, dat weet ik niet zeker, een aantal slachtoffers met DeSalvo proberen te matchen.’

Kathy Reichs: ‘Oké, dat is het type heranalyse dat volgens mij het meest overtuigend is. Dat je gewapend met een nieuwe technologie het lijk van Melanie Shepherd opgraaft, iets van onder haar vingernagels weghaalt en naar het DNA van dat stoffelijk bewijsmateriaal kijkt. Voor mij is dat de meest overtuigende bewijsgaring.’

Pat: ‘Dit is wel heel omstreden. In zekere zin wordt het publiek verliefd op de mythe van wie heeft het gedaan. Misschien vinden ze het geweldig dat de Duitse timmerman werd gepakt. En wat doe je wanneer het controversieel wordt?’

Kathy Reichs: ‘Of ze worden verliefd op de mythe van de controverse. Op de mythe van de onopgeloste zaak. Zodra we hem oplossen en in een la leggen, verliezen de mensen misschien hun belangstelling.’

John Douglas: ‘Dat is waar, denk ik. En Pat, ik denk niet dat ik iets verklap als ik zeg dat zodra wij onze opvattingen over deze grote zaken ventileren, de controverse daarmee niet meteen zal ophouden. Ik bedoel, niet iedereen zal zeggen: “O, nou, JOHN DOUGLAS heeft die zaak opgelost. Dan nu maar weer over tot de orde van de dag.”’ (GELACH) ‘Dat gebeurt echt niet. Een van de dingen die we in The Cases That Haunt Us probeerden, is om mensen te laten kijken naar misdaad zoals je ernaar zou moeten kijken, namelijk vanuit het bewijsmateriaal, vanuit de plaats delict en vanuit het incident zelf. In beroemde, omstreden zaken bestaat een tendens om met een theorie te beginnen, vervolgens terug te werken en de feiten kloppend te krijgen met de theorie. Na een aantal jaren in de forensische psychiatrie te hebben onderzocht wat ontoerekeningsvatbaarheid is en of mensen verantwoordelijk zijn voor hun misdaden of dat er een biologische basis is, kan ik zeggen dat je heel gemakkelijk met de gezochte antwoorden op de proppen kunt komen, wat die ook zijn. Ik bedoel, het bewijs kan zo worden geïnterpreteerd. Dus wat gedragspatronen betreft proberen we ons te laten leiden door de bewijzen in plaats van een theorie toe te passen en die kloppend te maken, precies wat Kathy binnen de exacte wetenschap doet.’

Jocelyn: ‘Er is één vraag die ik jullie beiden als misdaaddeskundigen wil voorleggen. We hebben het gehad over wat een schok het was toen Jack The Ripper zijn misdaden pleegde, want zoiets hadden we nog nooit meegemaakt. Nou, tegenwoordig kun je helaas met groot gemak een hele waslijst met namen van seriemoordenaars opdreunen. Wat is er volgens jullie gebeurd in de periode tussen Jack the Ripper en Jeffrey Dahmer dat dit soort moorden bijna normaal lijken te zijn geworden? En daaraan verwant, de schietpartijen op Amerikaanse scholen, waar zo veel over is gepraat. Plus natuurlijk nog die zaak waarin een zesjarige een andere zesjarige doodschoot. Ten eerste: waarom gebeurt dit? En ten tweede: zijn jullie nog geschokt als een kind van zes een leeftijdgenootje doodschiet? Of zien jullie het als een triest maar logisch voortvloeisel van het soort misdrijven waar we het afgelopen x-aantal jaren mee te maken hebben gehad?’

John Douglas: ‘Nou, dat zijn twee vragen. Wanneer een zesjarige een andere zesjarige doodt, komt dat volgens mij omdat er een vuurwapen voorhanden is. Doodt een vijftienjarige een leeftijdgenoot, dan heb je naar mijn mening met een echt sociaal verschijnsel te maken.’

Jocelyn: ‘In Anatomy of a Motive heb je geloof ik gezegd dat voor slecht aangepaste jongeren dezelfde cijfers van toepassing zijn als voor slecht aangepaste volwassenen.’

John Douglas: ‘Natuurlijk. De schietincidenten op scholen zijn in zekere zin niet meer dan een nabootsing door jongeren van het probleem dat we hebben met geweld op het werk, van mensen die een postkantoor of welk kantoor dan ook overvallen of een McDonald’s binnenvallen en om zich heen beginnen te schieten. De daders worden alleen jonger omdat we steeds makkelijker aan wapens kunnen komen. Volgens mij hebben we altijd al te maken gehad met geweld op scholen. Maar iets wat we vroeger met de vuist zouden hebben opgelost, wordt nu met pistolen gedaan, want dat is deel van onze cultuur geworden. Heel ontmoedigend en deprimerend. Een van de echte problemen waar schoolbesturen en de politie mee kampen – en ik weet niet of dat ook voor Canada opgaat, daar kan Kathy iets meer over zeggen – is dat je iemand hebt die er wordt uitgepikt. En dan zeggen de decaan of de ouders of de advocaten: “Weet je, je maakt deze jongen kapot. Je stigmatiseert hem. En hij toont gewoon zijn emoties. Dit is allemaal fantasie en het is niet echt een probleem. Kijk nou eens wat je doet, je traumatiseert hem.” Als hij dan vervolgens in een schoolkantine medeleerlingen neermaait, toont iedereen zich verontwaardigd en zegt: “Waarom werd dit niet eerder opgemerkt?” Volgens mij zit je hier dus het echte probleem. Bij veel van deze mensen is eerder al iets te zien in hun gedrag. Ik geef toe, het is lastig om ze eruit te pikken, maar als je erop let, kunnen deze kinderen soms worden geholpen, kunnen ze worden tegengehouden. Niet allemaal, maar ik denk dat we het probleem kunnen inperken.’

Jocelyn: ‘Denk je dat Kip Kinkel, Dylan Klebold of Eric Harris (de laatste twee zijn bekend van de slachting op Columbine High School) in een aantal opzichten binnen het soort profiel passen dat je bij oudere moordenaars ziet?’

John Douglas: ‘Natuurlijk. Je hebt mensen die in zichzelf gekeerd zijn, die haat koesteren jegens de samenleving. Ze zitten gevangen in een levensgevaarlijke combinatie van lage eigenwaarde en tegelijk een gevoel van persoonlijke verheerlijking en superioriteit. En dat is een heel gevaarlijke combinatie, vooral wanneer ze vervolgens zeggen: “Ik ga het iedereen betaald zetten.” Ik kan je garanderen dat er tientallen jongeren rondlopen die totaal niet ontsteld gereageerd hebben op de gebeurtenissen in Columbine. Ze zeggen: “Wauw, wat een manier om dood te gaan. Zo spectaculair wil ik ook wel doodgaan, als ik maar de middelen en de moed had.”’

Jocelyn: ‘Kathy, zie je in Canada hetzelfde soort misdrijven als hier in Amerika?’

Kathy Reichs: ‘Dezelfde misdrijven bestaan in Canada ook, maar de frequentie verschilt nogal.’

Jocelyn: ‘En hoe komt dat, denk je?’

Kathy Reichs: ‘Kijk alleen maar naar de cijfers, de absolute cijfers. Het aantal moorden is een fractie van wat het hier is. Sterfgevallen door een schotwond zijn een fractie van wat ze hier zijn. In het lab doe ik dagelijks autopsies. Ik moet zeggen dat de seriemoordenaar nog steeds een buitengewoon zeldzaam verschijnsel is. Er bestaat veel belangstelling voor, het is opwindend, het heeft glamour, het levert mooie verhalen op. Maar ik vind het aantal seriemoordenaars dus nog altijd bijzonder laag. Het gros van de moorden vindt binnen het gezin plaats of heeft met drugs te maken, zowel in Canada als in de Verenigde Staten.’

John Douglas: ‘Als je het aantal geweldsmisdrijven in Seattle en Vancouver, twee steden die zo’n beetje even groot zijn en dicht bij elkaar liggen, met elkaar vergelijkt, dan is het verschil alarmerend.’

Kathy Reichs: ‘Naar mijn mening houdt dit direct verband met de wapenwetgeving. Ik ben het eens met wat je net zei over woede. In Fatale dag schrijf ik daar iets over als ik het onderwerp sektes behandel. Waarom gaan mensen bij een sekte, terwijl het toch vaak dodelijke gevolgen heeft? Volgens mij is dit een tijd met veel sociale veranderingen. De relaties tussen mannen en vrouwen veranderen, ook de structuur binnen het gezin verandert. In veel gevallen kan dit tot een enorme woede leiden. Iemand raakt geïsoleerd en sluit zichzelf af van de samenleving, zoals in het geval van Klebold en zijn vriend. Of men sluit zich aan bij een sekte, op zoek naar een gezinssituatie of een netwerk of iets in die trant. Maar wanneer er sprake is van een geleidelijke opbouw van woede of afzondering, en iemand kan eenvoudig aan een wapen komen, dan ontstaan er volgens mij inderdaad explosieve situaties.’

John Douglas: ‘Ik denk dat Kathy hier de spijker op de kop slaat. Ik kan het voor honderd procent onderschrijven.’

Jocelyn: ‘Kathy, Fatale keuze gaat over motorbendes in Canada. Is het op echte bendeoorlogen gebaseerd?’

Kathy Reichs: ‘Ja. De provincie Quebec had destijds te maken met de enige echte biker-oorlog ter wereld. In Scandinavië werd er ook een uitgevochten tussen de Hell’s Angels en de Bandito’s, maar die gingen om de tafel zitten en tekenden een wapenstilstand.’ (LACHT) ‘In Quebec draaide het om een groep die zich The Rock Machine noemde, en die van eigen bodem is, en de Hell’s Angels, die zich ergens begin jaren zeventig daar vestigden. Het ging om de controle over de drugshandel, en het was een bijzonder dodelijk geschil. In een jaar of zes verdwenen of stierven er ongeveer honderdtwintig mensen, wat gezien het moordgemiddelde in Quebec gigantisch is. Als gevolg hiervan, feitelijk als gevolg van het overlijden van een elfjarige jongen halverwege de jaren negentig, werd de speciale eenheid Wolverine Unit gevormd. Die eenheid bestaat uit de bereden politie van Canada, de stadspolitie en de provinciale politie. Ik heb veel tijd met hen doorgebracht, waarbij ik meeging op patrouille, clubhuizen van motorbendes bezocht en veel research deed. Het is een fascinerende subcultuur. Ze kloppen steeds vaker bij me aan. Een paar van de eerste zaken die ik deed, hadden te maken met bikers; slachtoffers van schotwonden die later in staat van ontbinding werden gevonden. Een veel voorkomende methode was iemand neerschieten, in een auto zetten en die in de fik steken. Met dat soort zaken kon de forensisch antropoloog dan aan de slag: een verkoold lijk om te identificeren en vervolgens de baan van de kogel zien te achterhalen, dat soort dingen.’

Jocelyn: ‘Jij begon ooit als antropoloog oude botten te bestuderen. Waardoor raakte je geïnteresseerd in misdaad en in meer recente zaken?’

Kathy Reichs: ‘Ik werd er min of meer in gesleurd. Aangezien ik de plaatselijke bottendeskundige was, kwam de politie steeds vaker met zaken naar mij toe. En naarmate ik meer forensisch werk deed, begon ik het steeds interessanter te vinden. Veel dankbaarder en spannender. Archeologie is intrigerend, maar de forensische wetenschap is spannender. Je bent meer betrokken bij wat er gebeurt. En het is een manier om mijn wetenschappelijke kennis in te zetten voor het oplossen van een praktisch probleem. Het is als het oplossen van een puzzel, waarbij je de stukjes in elkaar schuift. En het is dankbaar werk in de zin dat je met antwoorden kunt komen voor gezinnen met vermiste kinderen, echtgenoten of minnaars.’

Jocelyn: ‘Was het in het begin niet schokkend om lichamen in verschillende staten van ontbinding onder ogen te krijgen?’

Kathy Reichs: ‘Niet echt, want op de medische faculteit had ik al lijken ontleed. Natuurlijk waren die goed geconserveerd, in tegenstelling tot wat ik meestal op de onderzoekstafel krijg, met kruipende maden of wat dan ook aan toe.’ (GELACH) ‘Het vergt wel iets van je aanpassingsvermogen, ja.’

Jocelyn: ‘Jij en Temperance Brennan doen hetzelfde werk. Ik vraag me af in hoeverre jij op haar lijkt.’

Kathy Reichs: ‘Beroepsmatig zijn we praktisch elkaars spiegelbeeld. Zij werkt in Montréal, in Noord-Carolina, en ze reist op en neer. En veel emoties die ik ervaar, uit ik via haar. Ik krijg wel te horen dat ze hetzelfde gevoel voor humor heeft als ik. Ze is bepaald niet op haar mondje gevallen, een beetje een betweter. Maar wat haar persoonlijke leven betreft, het alcoholisme, het huwelijk dat op springen staat, al dat soort dingen zijn verzonnen om haar personage wat meer karakter te geven. Het complexer te maken.’

Jocelyn: ‘Er is dus geen Andrew Ryan/Hal Rifkin in je leven?’

Kathy Reichs: ‘Hij is uit meerdere mannen samengesteld. Na de publicatie van Déjà Dead kreeg ik even een adempauze, omdat de meeste mensen met wie ik werk, moesten wachten totdat het boek in het Frans verscheen. Maar toen het zover was, was ik een tikje nerveus om het lab in te gaan. Er wordt veel gespeculeerd over wie nu wie is. En met name Claudel, die een beetje aan de stugge kant is.’ (LACHT) ‘Maar over het algemeen zijn het samengestelde karakters.’

Jocelyn: ‘Goed, dat brengt me bij mijn volgende vraag, namelijk dat Tempe zich als vrouw in een mannenwereld staande moet zien te houden. Claudel is natuurlijk een voortdurende bron van ergernis voor haar. Heb je in jouw werk ook tegen dat soort seksisme moeten vechten? En Tempe werkt zichzelf regelmatig in de nesten. Ze is een misdaadbestrijdster geworden, en ze is al een paar keer aan de dood ontsnapt. Ben je zelf ook zo persoonlijk betrokken geraakt?’

Kathy Reichs: ‘De politiemensen met wie ik werk, zijn altijd correct en vriendelijk geweest. En ik ben nooit de problemen tegengekomen die een aantal van mijn collega’s wel heeft gehad. Sommige vrouwelijke collega’s hebben dat soort situaties wel aan de hand gehad, maar de mensen met wie ik heb gewerkt, zijn altijd fantastisch geweest. Bij de FBI, in Montréal of in het Central ID-lab. Ik werk ook voor het leger in Hawaii. Dit zou denk ik niet opgaan als ik de hort op ging en sommige dingen deed die Tempe op eigen houtje onderneemt. Als ik ergens een lijk ga ophalen, gebeurt dat altijd met een speciale eenheid van de recherche. Ik ga niet in mijn eentje botten opgraven of gezinsleden ondervragen of zo. Zij neemt veel grotere risico’s dan ik. Ik ben ooit bedreigd toen ik moest getuigen in de rechtszaal. De beklaagde was niet zo blij met wat ik te zeggen had en dreigde dat hij me zou vermoorden, dus die zitting moesten ze verdagen. Daarom ben ik ook heel voorzichtig met het beschermen van mijn privéleven. Niet zozeer vanwege de dingen die ik schrijf, maar vanwege mijn werk. Ik tref de gebruikelijke voorzorgsmaatregelen.’

Jocelyn: ‘En jij en Mark, John? Zijn er moordenaars geweest die door jou werden geobsedeerd nadat ze jou over hun leven hadden verteld? Heb je ooit problemen ondervonden?’

John Douglas: ‘Ja, dat gebeurt wel eens. Gelukkig zijn we nooit zo openlijk bedreigd. Hoewel we wel een enorme lading vreemde post binnenkrijgen. Ik ben geen professional op het gebied van de geestelijke gezondheidszorg, maar met alle post die we ontvangen, herken ik een brief van een paranoïde schizofreen al zodra ik hem open. Alles van zes of acht kantjes met regelafstand één en allerlei handgeschreven aantekeningen in de kantlijn zijn als zodanig te herkennen. Maar waar we zelfs nog meer van krijgen, zijn allerlei vreemde complottheorieën over zaken. Toen ons boek over de Unabomber verscheen, werden we belaagd door een aantal mafkezen, maar ook door heel respectabele mensen die meenden te weten wie de Unabomber echt was en ons alle bewijzen en redenen wilden geven. Plichtmatig noteerde ik alles en overhandigde ik het aan de FBI. Maar door wat wij doen, duiken er een hoop vreemde lieden en reacties op. Ook als we signeersessies houden. Zo heel af en toe zie je zo iemand in de rij staan met een vreemde blik in zijn ogen, en dan vraag je je af: “Wat gaat die me straks vragen?”’

Jocelyn: ‘Word je daar zenuwachtig van?’

Kathy Reichs: ‘Zo nu en dan gebeurt dat wel, ja.’

John Douglas: ‘Ik denk dat het erbij hoort.’

Jocelyn: ‘En kun je je dan een beetje ontspannen als het achter de rug is?’

Kathy Reichs: ‘Wanneer wat achter de rug is? Wacht eens even.’ (LACHT) ‘Wanneer is iets echt helemaal achter de rug?’ (LACHT)

Jocelyn: ‘Na een zaak. Of aan het eind van de week. Je hebt een paar keer verteld over maden en lijken. Ik vond ooit een vlieg in een pak pannenkoekenmix en kon een halfjaar geen pannenkoeken meer eten.’ (LACHT) ‘Dus hoe wis je dat uit aan het eind van een week? Of na een zaak? Of komt er nooit een eind aan? Hoe ontspan je je?’

Kathy Reichs: ‘Volgens mij is dat net als bij elk ander beroep. Of je nu chirurg bent of tandarts of oncoloog of wat dan ook, je ontwikkelt technieken om je los te maken van je werk, in mijn geval om het in het lab achter te laten. Er blijven wel altijd gevallen waar je nooit helemaal los van komt. Maar als je bij elke zaak emotioneel betrokken raakt, zullen anderen volgens mij weinig aan je hebben. Dus je zult mechanismen moeten ontwikkelen om daarmee om te gaan.’

John Douglas: ‘Dat is helemaal waar. Ik bedoel, in zekere zin moet je jezelf afzonderen, zodat de zaak een puzzel wordt. Een andere manier die voor Mark en mij heeft gewerkt is dat er een aantal gezinnen van slachtoffers is waar we heel close mee zijn geworden. In De geest van het beest wijd ik drie hoofdstukken aan Suzanne Collins, de mooie jonge marinekorporaal die tijdens het joggen op een basis in Tennessee op wrede wijze werd verkracht en vermoord. Mark en ik zijn goed bevriend geraakt met haar ouders, en ze behoren inmiddels tot onze beste vrienden. Wat zo fascinerend is, is dat dit mensen zijn die weliswaar nog dagelijks verdriet hebben om het verlies van hun dochter, om hun verloren kansen en alles wat dat betekent, maar tegelijkertijd, en dat is ongelofelijk, nog steeds gevoel voor humor hebben. En bepaalde doelen in hun leven. Het is heel moeilijk te bevatten dat dit soort dingen je leven voorgoed veranderen. Het is nooit meer zoals het was. Die pijn gaat nooit weg. En toch ga je verder. Het is niet een kwestie van gewoon doorgaan met je leven en het achter je laten, want je laat het nooit echt achter je. Wat ik fascinerend vind en heel aangrijpend, en we hebben er diverse keren over geschreven, is hoe dit je leven verandert, hoe het je tot een ander mens maakt en hoe het verweven raakt met je leven. Wat ik van Kathy hoor, vanuit haar perspectief als onderzoeker, denk ik dat ook dat een deel van je leven wordt. Je kunt er niet bij weglopen. Het wordt gewoon deel van wie je bent. En je leert ermee omgaan.’

Jocelyn: ‘John, eerder had je het erover dat je seriemoordenaars niet wilde romantiseren, en daarna zei je dat er na Columbine misschien wel tientallen jongeren rondliepen die vermoedelijk dachten: wauw, als ik mijn school aan flarden schiet, kom ik misschien ook op de cover van Time. Maak je je wel eens zorgen over het feit dat je over dit soort mensen schrijft? Ik bedoel, je hebt het over de vreselijke dingen die ze hebben gedaan. Kleeft er niet een aspect aan dat ze daardoor bijna als vanzelf idealiseert?’

John Douglas: ‘Ik hoop van niet. Dat is aan de lezers, denk ik. Door ze te ontmaskeren, te laten zien wie ze echt zijn, hopen we dat we ze juist niet verheerlijken. We laten zien dat deze mensen, die heel indrukwekkend en sterk lijken, in feite heel erg onaangepast zijn. In de meeste gevallen seksueel onaangepast. En de zin die me telkens weer te binnen schiet, is een zin die de filosofe/auteur Hannah Arendt in haar boek De banaliteit van het kwaad. Een reportage gebruikte toen ze het proces van Adolf Eichmann versloeg. En ze verwees daarbij naar de banaliteit van het kwaad. Het gaat natuurlijk om bekrompen, zeer onaangepaste, zíélige mensen. En de enige manier waarop ze dat kunnen ontstijgen – mensen zoals Ted Bundy, die knap, charmant en intelligent was – is door anderen te manipuleren, te domineren en te beheersen. En door de macht van leven en dood over hen te hebben. En daar vind ik helemaal niets romantisch aan. Ik hoop dat je dat uit onze boeken kunt halen, dat je juist de tekortkomingen en gebreken van die mensen ziet.’

Jocelyn: ‘Ik kan me een paar voorbeelden herinneren waarbij je een aantal van deze moordenaars in de gevangenis ondervraagt, waarna ze in tranen uitbarsten, alleen is dat dan niet voor de slachtoffers maar vanwege henzelf.’

John Douglas: ‘Ja, ze huilen om zichzelf. Ik bedoel, het heeft hun leven veranderd. Dat ze zijn gepakt, heeft een schaduw over alles geworpen.’

Kathy Reichs: ‘Is dat niet de vraag?’

John Douglas: ‘Dat is moeilijk voor mensen, denk ik. Je kent het cliché dat deze lieden net als wij zijn en dat we allemaal tot dit soort dingen in staat zijn. Maar dat is volgens mij niet zo. De meesten onder ons zouden dat soort vreselijke dingen niet kunnen doen. Misschien dat het wel eens in ons opkomt, maar we zouden het nooit doen. Ik durf te beweren dat praktisch iedereen die een seksueel misdrijf pleegt aan een of andere geestesziekte lijdt, maar over het algemeen zijn ze niet krankzinnig. Tenminste, degenen met een geordende geest. Ze maken een keuze. En weet je, behalve “waarom” is “keuze” het andere woord dat telkens weer in onze boeken opduikt. Ze kiezen voor wat ze doen.’

Jocelyn: ‘Hoe houden we ze tegen? En kunnen we dat wel?’

John Douglas: ‘Nou, wat seriemoordenaars betreft, als je naar ons grimmige werk kijkt, weten we ze na een of twee slachtoffers meestal wel te pakken, dat is een succesverhaal. Maar het is helaas vaak moeilijk om ze te stoppen. En misdaad gaan we nooit helemaal oplossen, die oorlog gaat door. Maar hoe meer we leren, hoe meer kans dat we het verloop kunnen frustreren. Aan de andere kant hebben we geen samenleving waarin we mensen al kunnen opsluiten voor wat wij denken dat ze zouden kunnen doen. Zo’n samenleving willen we ook niet.’

Jocelyn: ‘Denkt een van jullie dat jullie boeken op een of andere manier een misdaad zou kunnen helpen voorkomen? Met andere woorden, met name voor vrouwen die jouw boeken misschien lezen, John?’

John Douglas: ‘Telkens weer hebben we vooral vrouwen, maar ook kinderen, verteld waar ze op moeten letten en waarvoor ze moeten uitkijken. Een van de dingen die we in De geest van het beest, en daarna tot op zekere hoogte in Obsession, hebben geprobeerd, is kinderen zelf tot profiler maken. Ik bedoel, wil je geen slachtoffer worden, dan moet je kunnen begrijpen wat je zelf kunt doen. Stel een kind verdwaalt in een winkelcentrum; dan moet het een profiler worden en denken: wie kan ik vertrouwen? En we leren ze uit te kijken naar bepaalde mensen. Naar mensen in uniform, naar mensen met een badge, mensen achter een balie. Ze moeten zoeken naar zwangere vrouwen of vrouwen met andere kinderen. Dit zijn goede vuistregels, hoewel ze natuurlijk niet onfeilbaar zijn. Dat zijn de mensen bij wie je om hulp vraagt. Om een kind alleen maar op te dragen niet met vreemden te praten helpt niet echt. Het zal in feite nadelig werken. Want als een kind verdwaalt in een winkelcentrum zijn er alleen maar vreemden om aan te schieten.’

Jocelyn: ‘Worden jullie er niet een beetje verdrietig van dat we kinderen tegenwoordig zo nauwkeurig moeten waarschuwen en instrueren?’

John Douglas: ‘Het is gewoon hartverscheurend.’

Kathy Reichs: ‘Hoewel ik fictie schrijf, wordt mij vaak dezelfde vraag gesteld. Je weet wel: “Moedig je criminelen niet aan en leer je ze juist niet om betere criminelen te worden?” En volgens mij wil ik met mijn boeken, net zoals John al zei, laten zien dat sektes of seriemoordenaars of foute motorbendes niet alleen leed veroorzaken voor het slachtoffer dat het met de dood moet bekopen, maar ook voor de gezinnen die achterblijven. En voor degenen die achter hen aan moeten, de mensen die de rotzooi moeten opruimen en met de slachtoffers te maken krijgen. En, om helemaal terug te gaan naar het begin van dit interview, mijn boeken zijn ook ouderwetse whodunits. De slechterik wordt gepakt en hij of zij draait vervolgens de bak in.’

Jocelyn: ‘Maakt dat deel uit van je werk?’

Kathy Reichs: ‘Ik denk van wel. Het feit dat je kunt getuigen en dat je een paar van die figuren van de straat kunt halen.’

John Douglas: ‘Een van de dingen die voor Kathy en mij gelden, zowel in onze boeken als bij ons dagelijks werk, is dat we allebei een moreel standpunt uitdragen. We hebben een zeer duidelijk moreel standpunt.’

Jocelyn: ‘Dat is een interessant punt. Kun je daar iets meer over vertellen, John?’

John Douglas: ‘Als je kijkt naar het soort boeken dat we schrijven, dan heeft veel te maken met het menselijk gedrag. Er is een doorlopende samenhang. Maar er is weinig dubbelzinnigs over wat we goed of verkeerd achten, hoe mensen zich horen te gedragen en wat de gevolgen zullen zijn als ze zich niet aan de regels houden. En ik denk dat dit voor ons allebei geldt.’

Jocelyn: ‘Weet je, ik bespeur hier nog steeds een lichte paradox die volgens mij terugvoert naar mijn eerste vraag. Gisteravond zag ik een programma over seriemoordenaar, necrofiel en kannibaal Jeffrey Dahmer. Ik geloof voor de tweede keer.’ (GELACH) ‘En dan vraag je jezelf af, waarom fascineert dit me zo?’

John Douglas: ‘Omdat je er volledig buiten staat. Je kunt je met geen mogelijkheid voorstellen dat jij zoiets zult doen.’

Kathy Reichs: ‘Dat is het, volgens mij. Het staat zo ver buiten je eigen verbeelding.’

Jocelyn: ‘Kijk, hij is zo’n geval van iemand die nog als een redelijk normaal, “intelligent” persoon overkomt. Dat maakt het, denk ik, zo bizar. Ook dat maakt deel uit van de fascinatie.’

Kathy Reichs: ‘En dat is ook wat het zo eng maakt. Zoals ik al zei, zodra je de rechtszaal betreedt en je die figuren ziet zitten, realiseer je je dat ze net zo goed je buurman of je oom zouden kunnen zijn.’

John Douglas: ‘Ik zeg altijd graag dat je de advocaat en de gedaagde soms niet eens uit elkaar kunt houden.’ (GELACH) Dat is heel misleidend, want je moet helder maken wat voor persoon hij was ten tijde van het vergrijp, en dat is dus een van de dingen waarover ik de aanklagers adviseer.’

Jocelyn: ‘Voordat hij zijn mooie pak aantrekt en netjes zijn haar kamt, zeker?’

John Douglas: ‘Ja. Ze hebben altijd kortgeknipt haar en een mooi pak aan. En ze zijn heel rustig. Vergeet niet dat lustmoordenaars uitstekende veinzers zijn. Ze weten zich heel goed anders voor te doen, en sommigen kunnen heel charmant zijn. Ze kunnen een jury net zo om hun vinger winden als hun slachtoffer.’

Jocelyn: ‘John, is er één persoon uit de reeks van personen over wie je hebt geschreven, die je de meeste rillingen bezorgt?’

John Douglas: ‘Nou, er schiet me niet één naam te binnen, maar de types die ik het meest verafschuw zijn de zogenaamde lustsadisten. Degenen die uit bevrediging hun slachtoffers zo veel mogelijk willen domineren en laten lijden. Ik noem daarbij geen namen, want anders bewijs ik ze nog een dienst ook. Maar zulke figuren bestaan. En vooral als het slachtoffer ook nog eens een kind is. Ik vind het zo walgelijk en schokkend dat het voor mij niet meevalt om te aanvaarden dat zulke mensen dezelfde lucht inademen als ik.’

Pat: ‘Word je wel eens geconfronteerd met verwondingen waarvan je denkt, dit is gewoon te gek voor woorden?’

Kathy Reichs: ‘Voortdurend. En dat komt ook tot uiting in mijn boeken, denk ik. Telkens als je denkt dat je het allemaal wel gezien hebt, word je weer verrast. We hebben nu een zaak, John, die volgens mij heel interessant is voor jou en Mark. In Montréal worden om de haverklap jonge meisjes vermist. Sommigen zijn min of meer in dezelfde omgeving in stukken teruggevonden. Veel van hen zijn voor het laatst bij busstations gezien. Ik denk dat je hier van een patroon kunt spreken, hoewel ik geen profielschetsen maak. Pas geleden werd een dertienjarig meisje bij ons bezorgd in plastic zakken. Ze was in vijf stukken op een vuilstortplaats gevonden. En inmiddels wordt een tienjarig meisje vermist.’

John Douglas: ‘Ja, dan heb je het over een enorm kwetsbare groep. We rangschikken slachtoffers vaak in drie groepen: kinderen, ouderen en prostituees, want die groepen zijn het meest kwetsbaar tegenover vreemden.’

Jocelyn: ‘Even een ander vraag: jullie zijn schrijvers, welke auteurs lezen jullie zelf het liefst ter ontspanning? Lezen jullie ook thrillers of hebben jullie daar je buik van vol?’

Kathy Reichs: ‘Nee hoor, ik lees wel thrillers.’

Pat: ‘Las je alle boeken van Nancy Drew toen je klein was?’

Kathy Reichs: ‘Ja, ik las inderdaad Nancy Drew.’

John Douglas: ‘Ik The Hardy Boys.’ (GELACH)

Kathy Reichs: ‘Die las ik ook, ja. Penrod and Sam. Ik was er gek op.’

John Douglas: ‘Booth Tarkington.’

Kathy Reichs: ‘Ja. Ik was dol op zulke reeksen.’

Jocelyn: ‘Wat lees je tegenwoordig zoal?’

John Douglas: ‘Persoonlijk hou ik veel van Charles McCarry. Hij schrijft spionagethrillers. Zijn laatste boek heet Lucky Bastard, een politieke roman. Hij schreef ook Het laatste avondmaal, Het tweede gezicht en Shelly’s Heart, allemaal briljante boeken. Ik kan ze iedereen aanraden. Ik ga nu even de seksist uithangen: ik ben echt dol op Norman Mailer. Hij durft echt van alles aan, dat vind ik zo goed. Heel experimenteel. Ik ben ook gek op Tom Wolfe. Auteurs die je duidelijk maken waar het in het leven om gaat.’

Kathy Reichs: ‘Een van mijn favorieten is de Douglas Adams-reeks. De vijf boeken, geloof ik, van The Hitchhiker’s Guide to the Galaxy.’ (GELACH) ‘Geweldige boeken. Een van de weinige titels die ik heb herlezen, gewoon omdat het niets te maken heeft met wat ik zelf doe.’ (LACHT)

Jocelyn: ‘Jullie allebei, en John ook, zullen het waarschijnlijk heerlijk vinden om ’s avonds gewoon naar huis te gaan en jullie gezin weer te zien. De eenvoudige dingen in het leven.’

John Douglas: ‘Dat heeft deels te maken met leren hoe je een balans in je leven kunt vinden.’

Kathy Reichs: ‘Mijn kinderen hebben me wel eens verteld dat ze het aan me merken wanneer ik met een kinderslachtoffer bezig ben geweest. Ik ben dan een stuk ingetogener.’

Pat: ‘John en Kathy, mag ik jullie bedanken?’

s TERUG NAAR BOVEN

Het HBO.com-vragenuurtje met auteur en forensisch antropoloog Kathy Reichs



HBO.com ‘Hallo en welkom. Fijn dat je in ons vragenuurtje te gast wilt zijn. Om te beginnen, wat trok je zo aan in de wereld van het forensisch onderzoek?’

Kathy Reichs ‘Ik begon als archeologe, en hield me bezig met resten uit de Oudheid. Op een gegeven moment begon de politie me wat zaken voor te leggen. Terwijl ik daaraan werkte, merkte ik dat ik dat werk een stuk boeiender vond. Fascinerender en relevanter ook, omdat ik direct betrokken werd bij de families en het rechtssysteem. Het geeft me veel voldoening om een familie (van een slachtoffer) uitsluitsel te kunnen geven, om als getuige-deskundige op te treden en om zo sommige van deze lieden (daders) van de straat te kunnen verwijderen.’

HBO.com ‘Wat voor opleiding heb je genoten? En wat voor speciale opleiding heb je nodig om forensisch antropoloog te kunnen worden?’

Kathy Reichs ‘De meeste forensisch antropologen zijn gepromoveerd als antropoloog, met een specialisatie in fysieke antropologie, bottenleer, menselijke genetica en verscheidenheidsleer. Sommigen komen binnen op doctoraalniveau, maar de meesten zijn eerst gepromoveerd. Ik begon mijn studie aan de American University, studeerde af en promoveerde aan de Northwestern University. Daarna doe je nog drie jaar lang een postdoctoraal ervaringstraject. Uiteindelijk kun je je kandidaat stellen en doe je je toelatingsexamen om daarna door de American Board of Forensic Anthropology officieel te worden benoemd.’

HBO.com ‘Hoewel er nooit sprake is van een “routineonderzoek”, kun je ons toch een overzicht geven van de algemene procedures en waar je tijdens een onderzoek extra op let?’

Kathy Reichs ‘Nou, meestal doen lijkschouwers, pathologen-anatomen en politiediensten een beroep op me, en zo nu en dan ook particulieren. Daarbij gaat het om zaken waarbij het lijk niet meer intact is. Het is gemummificeerd, verbrand, ontbonden, zonder ledematen, vergaan, slechts nog een torso afkomstig uit een rivier, niet meer dan een skelet. Dus voor een normale autopsie werpt zoiets problemen op. Twee belangrijke vragen dienen zich aan: “Wie is dit?” Ofwel de identiteitskwestie. En: “Zijn er verwondingen?” Je bekijkt de beschadigingen aan het bot om de doodsoorzaak te achterhalen, of je probeert uit te vinden wat er met het lichaam is gebeurd nadat de persoon is overleden. In beide gevallen vormen de botten de sleutel.’

HBO.com ‘Laten we het eens hebben over het reconstrueren. Wat komt daar allemaal bij kijken?’

Kathy Reichs ‘Constructie of reconstructie kan op verschillende niveaus plaatsvinden. Het kan zijn dat ik het lichaam letterlijk moet reconstrueren, fragmenten bij elkaar moet zoeken en ze weer aan elkaar moet lijmen of stukjes bot aan elkaar moet zetten. Ook heb ik lichamen gereconstrueerd in de zin van een biologisch profiel: leeftijd, geslacht, etnische achtergrond, lengte, aanwijzingen op een ziekteverleden. Alles wat een identificatie maar kan vergemakkelijken. Daarna bouw ik dit profiel op. Waar ik naar kijk, hangt af van wat er op dat moment op mijn agenda staat. Als ik bijvoorbeeld het geslacht wil bepalen, zou ik in de eerste plaats het bekken bestuderen. Om voor de handliggende redenen is het mannelijk bekken anders gevormd dan het vrouwelijke. Ook de schedel kan helpen. Mannen hebben een grotere neusaanhechting en geprononceerde voorhoofdskam en ook zijn alle bobbels en randjes veel duidelijker. Wat het vaststellen van de leeftijd betreft, dit hangt af van het tijdstip van overlijden. Bij kinderen kun je de leeftijd preciezer afleiden omdat ze nog in de groei zijn. Je kijkt naar het gebit. De lange skeletdelen zijn pas in de puberteit of in de jaren daarna volgroeid, en dus kijk je naar de kleine oneffenheden die bij een niet-volwassene nog niet met de rest van het bot zijn vergroeid. Dus omdat het lichaam van een kind nog groeit en zich ontwikkelt, kun je alles tamelijk precies vaststellen. Bij volwassenen ligt dit heel anders. Daar kijk je naar veranderingen als gevolg van het verouderingsproces. Sommige kenmerken voltrekken zich in een regelmatig tempo: veranderingen in de aanhechting van de ribben met het borstbeen, veranderingen in de voorste aanhechtingen van de twee bekkenhelften. Het zijn de indicatoren van de levensfase waarin een volwassene zich bevindt. Daarmee valt de leeftijd met een marge van vijf tot tien jaar te schatten. Bij kinderen is die marge plusminus een maand tot zo’n twee jaar. Kijk je naar de etnische achtergrond, dan vormt de schedel de beste aanwijzing. Het midden van het vooraanzicht bevat veel aanwijzingen, en aan het gebit valt vaak goed af te leiden of iemand uit Afrika, Europa of Azië komt. Ook meet ik de schedel op en ik voer de data in een computerprogramma in dat de gegevens vervolgens vergelijkt met die van bekende ethische bevolkingsgroepen: bijvoorbeeld negroïde versus blank versus Aziatisch. Zo probeer ik dus het algemene profiel te construeren. Ik verricht zelden zelf een identificatie. Dat gebeurt met behulp van gebitsgegevens, medische dossiers en DNA. Maar wat ik wel doe, is dat ik mijn profiel aan de recherche overhandig waarna dit kan worden vergeleken met de gegevens van vermiste personen om zo een naam te kunnen achterhalen. Heb je een naam, dan kun je daarmee naar een tandarts en kun je op zoek gaan naar zijn of haar medische gegevens. Gezichtsreconstructie is weer een ander verhaal. Gezichtsbenadering is waarschijnlijk een betere term. Het vindt plaats wanneer al het andere geen uitsluitsel heeft gegeven. Je zit met een “onbekende”, je weet niet wie deze persoon is en als laatste poging kun je een gezichtsbenadering overwegen. Maak een schets, stuur hem naar de media en kijk of iemand het gezicht herkent. Je kunt het op de ouderwetse manier doen, met klei op de schedel, een driedimensionale techniek. Maar dat kost veel tijd en daarna kun je er niets meer aan veranderen. Je kunt het ook tweedimensionaal doen, waarbij je een tekening maakt van een gezicht dat is gebaseerd op de schedelvorm. De derde methode, en op dit moment de modernste, is met behulp van een computer waarmee je de schedel kunt scannen en er digitaal weefsel aan kunt toevoegen. Het voordeel is dat je het beeld kunt bewerken. Je kunt de persoon ouder, jonger, dikker of magerder maken, een bril geven, hem weer afzetten, het haar of het kapsel veranderen. Maar het uiteindelijke doel… kijk, iedereen heeft zo zijn eigen aanpak, geholpen door bestanden met kant-en-klare gezichtsdelen zoals neuzen, ogen, kinvormen, enzovoorts. Anderen genereren een gezicht met behulp van wiskundige formules en voegen er dan de spieren aan toe. Je hebt dus drie technieken: driedimensionaal, tweedimensionaal en digitaal. En allemaal vormen ze de laatste strohalm. Nogmaals, ik heb gevallen gehad waarbij… ik had ooit een zaak waarbij ik een proef deed. Ik liet zeven mensen met behulp van verschillende technieken een gezichtsbenadering maken. Alle zeven waren ze verschillend. Het is dus een kunst, geen exacte wetenschap.’

HBO.com ‘Goed, dan gaan we nu verder met een vraag van het National Disaster Medical Team, kortweg DMORT, over hoe je met hen in contact kwam en wat voor werkzaamheden je zoal voor hen verricht.’

Kathy Reichs DMORT staat voor Disaster Mortuary Operational Recovery Team en valt onder het National Disaster Medical Team. Het team wordt ingezet bij rampen met veel dodelijke slachtoffers. Denk aan een vliegtuig- of treinongeluk, begraafplaatsen die zijn overstroomd waarbij je het juiste lijk weer bij de juiste kist moet zien te zoeken. Dat laatste is hier in Noord-Carolina en in Georgia gebeurt. Het DMORT-team is een vast team, maar wordt alleen in dergelijke gevallen ingezet en bestaat uit forensisch antropologen, pathologen, tandartsen, begrafenisondernemers, computerspecialisten, datatypisten, enzovoorts. Ze gebruiken een programma dat VIP heet en dat alle informatie rondom het werk met stoffelijke overschotten vastlegt en op die manier het vergelijken van antemortale en postmortale gegevens een stuk eenvoudiger maakt. Wanneer familieleden ons de oude medische gegevens van het slachtoffer toesturen – gebitsgegevens, foto’s, signalementen, beschrijvingen van sieraden, de bloedgroep, maakt niet uit wat – dan worden die in het programma als antemortale data ingevoerd. De pathologen, forensisch antropologen en tandartsen bestuderen de resten en voeren hun gegevens als postmortale data in. Hopelijk kan daarna het lichaam, of de lichaamsdelen, geïdentificeerd worden door antemortale en postmortale data met elkaar te vergelijken. Bovendien kan er een rapport worden uitgeprint en kunnen er röntgenfoto’s van het lichaam en het gebit en gewone foto’s worden gescand en opgenomen. Voor ieder individu kan op deze manier een digitaal dossier worden aangelegd.’

HBO.com ‘Je bent ook getuige-deskundige geweest.’

Kathy Reichs ‘Mm-mm.’

HBO.com ‘Kun je daar iets meer over vertellen?’

Kathy Reichs ‘Ik hoef maar zelden te getuigen over de identiteit van een slachtoffer, want meestal kan de identiteit met zekerheid worden vastgesteld. In de meeste gevallen moet ik getuigen over verwondingen, over de doodsoorzaak of over verminkingen na de dood. En dat kan eenvoudig in de vorm van een ondervraging of een getuigenverhoor zijn, maar soms is het een stuk complexer, afhankelijk van de zaak.’

HBO.com ‘Kun je een voorbeeld geven?’

Kathy Reichs ‘We hadden eens een zaak helemaal in Noord-Quebec, honderden kilometers ten noorden van de stad, een behoorlijk eind weg dus. Het was een indianenreservaat waar twee jonge mannen per ongeluk waren verdronken. Er werd een commissie in het leven geroepen omdat de indianenstam niet wilde geloven dat het een ongeluk was geweest, maar vermoedde dat de twee waren vermoord. De commissie mocht zich over het bewijsmateriaal buigen, waaronder de stoffelijke overschotten. En dus openden we de graven. Onder het wakend oog van de woordvoerders van de stam moest ik alles reinigen, wat ongeveer twee weken in beslag nam omdat ze slecht gemummificeerd bleken te zijn. Daarna moest ik getuigen over de conclusies, die overigens niet in tegenspraak waren met het oorspronkelijke autopsierapport.’

HBO.com ‘Je was ook samen met dr. Baden betrokken bij een zaak?’

Kathy Reichs ‘Ja. Wanneer je een lijk moet opgraven weet je nooit wat je kunt verwachten. Dus vaak betekent dit werk voor de patholoog en de forensisch antropoloog. Bij een vers lijk… Michael (Baden) en ik hadden iets dergelijks bij de hand in 1998 in Kansas. Het was bloedheet, zo’n veertig graden, en dat lichaam was nog helemaal geconserveerd. Ik hoefde dus niet al te veel te doen en bestudeerde de schade aan de botten door kogels. Michael verrichte een normale autopsie. Het andere uiterste is wanneer je alleen een skelet hebt. Ook dat hebben Michael en ik een keer meegemaakt. Het ging om een agent die in 1967 was gestorven. Afgaand op de schotwonden in de borstkas concludeerde de lijkschouwer dat het zelfmoord was geweest. Maar zijn familie meende dat hij in de rug was geschoten. Na dertig jaar werd er een commissie gevormd en konden we zijn graf openen. We hadden alleen maar een skelet, niets dan botten. Dat is dus een geval waarbij de expertise van de forensisch antropoloog het zwaarst telt.’

HBO.com ‘Een vraagje over wat vaak beunhazerij wordt genoemd. Hoe denk jij daarover als forensisch antropoloog, benoemd door en lid van de American Academy of Forensic Sciences?’

Kathy Reichs ‘De meeste gediplomeerde beoefenaars zijn lid van de Academy: apothekers, psychiaters, forensisch antropologen, insectenkenners, pathologen. Ze zijn multidisciplinair. Klachten over ethiek of competentie worden eerst aan de ethische commissie voorgelegd, en daarna aan de raad van bestuur, waarvan ik een van de leden ben. Dus ik verneem deze klachten. Sommige zijn terecht, andere blijken niet echt gegrond. De meeste forensische onderzoeksinstellingen hebben een juridisch lichaam dat erop toeziet dat aan alle kwalificaties en gedragscodes wordt voldaan. Een beunhaas zonder papieren kan gewoon zijn gang gaan. Als een instelling individueel opererende onderzoekers certificeert of onvoldoende controle uitvoert, dan kan dat aan die instelling ter evaluatie worden voorgelegd. Dat is dus deels de reden waarom een instelling gecertificeerd moet zijn. Daarnaast moet er gecontroleerd worden of die doctorstitel voor de naam van een onderzoeker inderdaad rechtsgeldig is, zodat de officier van justitie of een andere wetsdienaar dan wel de lijkschouwer weet dat deze forensisch antropoloog inderdaad gekwalificeerd is, want dat is wat je zoekt. Een van de dingen waar de American Academy of Forensic Science nu aan werkt, is de oprichting van een raad van toezicht die weer toeziet op de benoemingscommissie, wat ons zal helpen om binnen de wereld van het forensisch onderzoek een kwalificatieproces in gang te zetten.’

HBO.com ‘Nog een paar laatste vragen. Wat is een van de merkwaardigste zaken waar je aan hebt gewerkt?’

Kathy Reichs ‘Nou, ik had een interessant geval in Illinois. Eind jaren zestig kwam een vrouw om bij een auto-ongeluk. Dertig jaar later verscheen haar vader opeens en vroeg: “Hoe staat het met het onderzoek naar de moord op mijn dochter?” Veel van de dienstdoende agenten van destijds waren inmiddels overleden. Maar het was een open dossier. Goed, alles werd bekeken en de politie raakte steeds meer geïntrigeerd omdat er niets van klopte. De zaak werd heropend en uiteindelijk werd de echtgenoot van de vrouw dertig jaar na dato alsnog aangeklaagd voor moord. Mij werd verzocht het graf te openen, wat is gebeurd. Ik vernam dat de lijkschouwer een ernstige schedelbreuk als doodsoorzaak had vastgesteld, maar daar vond ik helemaal niets van terug. Ik trof echter wel een verbrijzeld tongbeen aan. Het klassieke bewijs.’

HBO.com ‘Aha, wurging.’

Kathy Reichs ‘Ja, dus dat was een interessante zaak.’

HBO.com ‘Waarom zou die lijkschouwer het op een schedelbreuk houden als het…?’

Kathy Reichs ‘Het was een zaak voor een lijkschouwer, niet voor een patholoog-anatoom. En het was dertig jaar geleden. Hij noteerde – er was geen autopsie verricht – “ernstige verwonding aan de schedel”.’

HBO.com ‘Veel van zulke lijkschouwers zijn eigenlijk veredelde begrafenisondernemers, nietwaar?’

Kathy Reichs ‘Ik geloof dat hij zelf begrafenisondernemer was.’ (LACHT)

HBO.com (Gelach) ‘Je was ook betrokken bij een seriemoord die je hielp op te lossen.’

Kathy Reichs ‘Dat was de zaak Serge Archambault. Hij had twee vrouwen vermoord. Hij gebruikte het bankpasje van zijn tweede slachtoffer. De politie kon uiteindelijk de transactie traceren en hem arresteren. Hij bekende twee jaar eerder nog een derde vrouw te hebben vermoord en haar lichaam in stukken te hebben gesneden en op vijf verschillende plekken te hebben begraven. Dat was dus de zaak waar mijn hulp bij werd in geroepen. Ik hielp bij het vaststellen van de identiteit en de manier waarop hij het lichaam in stukken had gesneden. Het was een tamelijk uniek geval en de dader bleek goed te kunnen snijden, dwars tussen de gewrichten door. Ik kon met een gerust hart beweren dat hier iemand aan het werk was geweest die het een en ander van anatomie afwist, een orthopedisch chirurg of een slager. Dat laatste bleek het geval te zijn.’

HBO.com ‘En in welk jaar speelde die zaak?’

Kathy Reichs ‘Dat was in 1994. Toen ik daarmee klaar was en hij net voor drie moorden was veroordeeld, begon ik aan Déjà Dead en baseerde ik het verhaal op deze zaak. Die vormde de kern, zeg maar.’

HBO.com ‘Nog even over je schrijverschap, hoe is het om zowel een zeer gerespecteerd forensisch antropoloog als schrijfster te zijn? Hoe en wanneer kwam dat tot stand en wat voor invloed had het op je werk?’

Kathy Reichs ‘Nou, ik begon in 1994 met het schrijven van fictie, kort na de rechtszaak tegen Archambault. Ik had een volledige aanstelling als hoogleraar aan de universiteit en wilde wel eens iets nieuws proberen. En dus besloot ik een roman te schrijven. Ik had al handboeken geschreven en daar had ik nu even geen zin in. Het leek me leuk eens wat fictiefs te proberen. Ik merk dat mijn ervaringen als forensisch antropoloog mijn romans beïnvloeden. Fatale dag was gebaseerd op een voorval omtrent een cultsekte uit Quebec die moord en zelfmoord verheerlijkte: de Orde van de Zonnetempel. We verrichten de autopsies in ons eigen lab. Fatale keuze was gebaseerd op een reeks moorden door twee rivaliserende motorbendes in Quebec en een aantal lijken belandde bij mij op tafel. Hoe dit me heeft beïnvloed? Grappig eigenlijk, ik moest een keer opdraven als getuige-deskundige, kort nadat mijn boek was verschenen. We vroegen ons af of het een probleem zou worden, je weet wel: “Dr. Reichs, is dat feit of fictie?” En ja hoor, ik stond nog niet in de getuigenbank of ik keek omlaag en onder de voeten van de advocaat zag ik een exemplaar van Déjà Dead liggen. O jee, daar gaan we, dacht ik bij mezelf. Maar hij is er nooit over begonnen. Na de zitting wilde hij alleen maar dat ik het boek voor hem signeerde.’

HBO.com (GELACH) ‘Kathy Reichs, heel erg bedankt dat je ons te woord wilde staan.’

Kathy Reichs ‘Graag gedaan.’



TERUG NAAR BOVEN

forensisch onderzoek

De forensische antropologie

Het woord ‘forensisch’ stamt van het Latijnse ‘forensis’, wat ‘tot het forum behorend’ betekent. Het forum vormde het fundament van de Romeinse rechtspraak en was een plek voor openbare discussie en debat met betrekking tot de wet. De forensische antropologie is de toepassing van de wetenschap van lichamelijk onderzoek op het juridisch proces. Het kunnen identificeren van menselijk botmateriaal, ernstig ontbonden of anderszins niet te identificeren menselijke resten, is zowel om juridische als om menselijke redenen zeer belangrijk. Met gebruik van binnen de lichamelijke antropologie ontwikkelde technieken proberen forensisch antropologen menselijke resten te identificeren en bij te staan in het al dan niet vaststellen van een misdaad. Forensisch onderzoekers werken vaak samen met pathologen, tandheelkundigen en de politie om een overledene te kunnen identificeren en bewijzen van geweld en/of het tijdstip van overlijden te achterhalen. Naast hulp bij het lokaliseren en het verzamelen van verdachte ov erb lijfselen proberen forensisch antropologen uit het botmateriaal tevens de leeftijd, het geslacht, de afkomst, de lichaamsbouw en persoonlijke kenmerken af te leiden.

De uitdaging van het forensisch onderzoek.

Met vaak slechts weinig aanwijzingen en sterk vergane resten zal de forensisch antropoloog proberen om tot een puzzel van aanwijzingen, bewijzen en bevestigingen te komen om daarmee de volgende fundamentele vragen te kunnen beantwoorden:

Zijn de resten afkomstig van een mens?

Afhankelijk van de mate van ontbinding worden dierlijke resten vaak aangezien voor menselijke. Morfologie, röntgentechnieken en weefselleer moeten uitmaken om wat voor materiaal het gaat.

Wanneer is hij of zij gestorven?

Het vaststellen van het tijdstip van overlijden is van groot belang voor het politieonderzoek. De methoden zijn afhankelijk van de vraag of de resten prehistorisch, oud dan wel recent zijn. In het laatste geval zijn de gebruikte methoden afhankelijk van de staat waarin de resten verkeren: vers, ontbonden, gemummificeerd of tot op het bot vergaan. Hierbij maakt men gebruik van chemische tests en insectenkunde. Ook bestudeert men de omstandigheden rondom het individu en mogelijk aangetroffen voorwerpen.

Om wie gaat het?

Overblijfselen worden vaak afgeleverd zonder dat de identiteit van de betreffende persoon bekend is. Het vaststellen van het geslacht, de leeftijd, de afkomst, de lichaamslengte en individuele kenmerken zijn van belang bij het bepalen van de identiteit.

Hoe luidt de doodsoorzaak?

Een gedetailleerd onderzoek naar de exacte doodsoorzaak verschaft vaak een antwoord op veel verwante vragen. Voor ontbonden resten gebruikt men gangbare methoden zoals de bestudering van botbeschadigingen en botbreuken.

Wat gebeurde er met het slachtoffer na overlijden?

Resten kunnen worden aangetast door dieren en insecten. Daders kunnen proberen bewijsmateriaal te vernietigen en er zijn nog vele andere factoren.

Het forensisch onderzoek in de praktijk

De wereld van botten, schedels, kadavers en menselijke resten is voor dr. Kathy Reichs dagelijkse kost. Als een van de weinige forensisch antropologen in de Verenigde Staten is het haar taak lichamen te identificeren wanneer alle andere methoden niet toereikend zijn gebleken.

Haar werk als onderzoeker vormt het materiaal voor haar bestsellers. De hoofdpersoon van haar boeken, dr. Temperance Brennan, is net als Kathy Reichs forensisch antropoloog. Van lugubere autopsies tot sprankelende boekpresentaties: Kathy Reichs kent beide werelden. Maar hoewel haar boeken altijd eindigen met een opgeloste zaak, is dat in haar dagelijks werk niet altijd het geval. Reichs gunt ons een blik in haar dossiers om ons kennis te laten maken met het nauwgezette en vaak frustrerende onderzoek dat ze als onderdeel van haar werk verricht.

Kathy Reichs verdeelt haar tijd tussen Quebec, waar ze een vaste aanstelling heeft bij de gerechtelijke medische dienst van Noord-Carolina, en Quebec waar ze werkt als patholoog-anatoom. Als een van de slechts vijftig officieel benoemde forensisch antropologen in de Verenigde Staten richt ze zich tevens op uitzonderlijke zaken, verricht ze onderzoek voor tribunalen voor de mensenrechten en is ze gevraagd voor de identificatie van menselijke resten in oorlogsgebieden, bij vliegrampen en op begraafplaatsen uit de Oudheid.

Bij een van haar recente zaken werd ze door een miljonairsfamilie uit het Midwesten gevraagd om de doodsoorzaak van de multimiljonair te achterhalen. De lijkschouwer achtte zelfmoord uitgesloten, maar de familie twijfelde. Met de hulp van een patholoog-anatoom uit New York interpreteerde ze de aanwijzingen die waren achtergelaten op de botten. Toen ze geen sporen van geweld aantrof, deelde ze haar bevindingen met de familie. Als wetenschapper is Kathy Reichs een nuchtere pragmaticus, maar veel van haar werk is doortrokken van het besef dat haar werk van cruciaal belang is voor de nabestaanden. Ze begrijpt hun behoefte aan zo veel mogelijk duidelijkheid, ook al zullen ze nooit precies weten wat er gebeurd is.

Een zwaar verminkt lichaam dat in 1991 door gemeentewerkers in Montréal in een kartonnen doos werd aangetroffen, belandde bij Kathy Reichs. Negen jaar later restte er slechts nog een schedel en een deel van het skelet. Met behulp van computergraficus Bette Clark en het forensisch identificatiebureau van Toronto slaagde Reichs erin de gelaatstrekken te reconstrueren. Maar de identiteit van het slachtoffer is nog altijd niet bekend.

De boeken van Kathy Reichs bieden de lezer een fascinerende blik op het onderzoek dat door forensisch antropologen wordt verricht. Onlangs bracht ze in gezelschap van de stichter en collega dr. William Bass een bezoek aan de antropologische onderzoeksfaciliteit van de universiteit van Tennessee in Knoxville. Deze onderzoeksfaciliteit beschikt als enige ter wereld over een aantal lijken die buiten in de natuur zijn neergelegd en in verschillende stadia van ontbinding verkeren. Het lab stelt zich tot doel de bestudering van de mate en snelheid van het ontbindingsproces en de groeifasen van parasiterende insecten mogelijk te maken, zodat het tijdstip van overlijden nog nauwkeuriger zal kunnen worden vastgesteld.

Tijdens haar verblijf in Guatemala als lid van een team voor de rechten van de mens hielp dr. Reichs mee om een massagraf bloot te leggen. De lijken van mannen, vrouwen en kinderen bleken tijdens de bloedige burgeroorlog te zijn verbrand en op een hoop te zijn gegooid. Het blootleggen van het massagraf en het verzamelen en ordenen van de botten van de slachtoffers vereisten archeologische en antropologische precisie, twee vaardigheden die Reichs in ruime mate bezit. Met haar team werkte ze dag en nacht, aangezien de vergunning voor het opgraven aan tijdsgrenzen gebonden is. Ondertussen keken familieleden van de slachtoffers bij het werk toe. Door de exacte toedracht van deze misdaad te achterhalen en de slachtoffers te identificeren kon er een historisch dossier worden samengesteld, waarmee eindelijk een vorm van gerechtigheid kan worden verkregen.

De procedures van het forensisch onderzoek

Bij het onderzoeken van een menselijk lichaam draait alles om het nauwgezet uitvoeren van wetenschappelijk vastgestelde procedures. We zijn zowel HBO-tv als dr. Michael Baden zeer erkentelijk voor deze uitstekende demonstratie van een forensisch onderzoek. Tijdens deze presentatie maakt dr. Baden gebruik van een pop om de basishandelingen van een doorsnee forensisch onderzoek te demonstreren.



Interactieve autopsie

Bones

Feiten zijn altijd vreemder dan fictie

In Nederland werd de crimeserie Bones deze zomer elke zondag om halftien door RTL 4 uitgezonden. De serie, die is ontwikkeld door 20th Century Fox Television, is veel realistischer dan de meeste andere crimeseries. Geïnspireerd op de boeken van bestsellerauteur en forensisch wetenschapper Kathy Reichs voert de kijker elke aflevering mee naar de dagelijkse realiteit van haar werk. Bezoek ook de Bones pagina van RTL 4 of bekijk promo van de serie. Meer zien? Bekijk de 'Bones gallery'.



























Ik heb het altijd al een inspirerende gedachte gevonden om mijn hoofdpersoon, Temperance Brennan, mijn boeken te laten ontstijgen en haar op het kleine tv-scherm dan wel het grote witte doek te projecteren. Ik houd van schrijven, maar ik heb nu eenmaal meer verhaallijnen in mijn hoofd dan ik ooit in mijn boeken kwijt zal kunnen. Mijn jarenlange ervaring in het lab en op de plaats delict hebben me kastenvol intense, bloedstollende, hartverwarmende en ijzersterke ideeën opgeleverd. En nu heb ik de kans om al deze invalshoeken via een ander medium, de televisie, te realiseren. In New York leerde ik tijdens de presentatie van de nieuwe programma’s van NBC de mensen met wie ik ging samenwerken goed kennen. De enorme inzet van Fox en 20th Century Fox Television zorgt ervoor dat elke Bones-aflevering eer doet aan mijn collega’s in het lab, de mensen bij de politie en de professionals binnen de forensische wetenschap die ik zo hoog acht. Ik garandeer u dat ik samen met het talentvolle team in Hollywood mijn uiterste best doe om u pakkende verhalen, boeiende karakters en realistische wetenschap voor te schotelen. Dit alles uiteraard in combinatie met een vleugje humor! Dus ga lekker zitten, pak de afstandsbediening en kijk hoe forensisch antropoloog Tempe Brennan zich overdag over een zaak buigt en ’s avonds de belevenissen van haar fictieve hoofdpersoon Kathy Reichs aan het papier toevertrouwt. (Ja, dat hebt u goed gelezen.) Kathy

Samenvatting

Hoofdproducenten Barry Josephson (o.a. Hide and Seek, Like Mine) en Hart Hanson (o.a. Joan of Arcadia, Judging Amy) presenteren de duistere crimeserie Bones, geënt op de verhalen van schrijfster en forensisch antropoloog Kathy Reichs. Forensisch antropoloog dr. Temperance Brennan (Emily Deschanel (o.a. Boogeyman)), werkzaam aan het Jeffersonian Institute en in de avonduren schrijfster van thrillers, beschikt over de opmerkelijke gave om in de botten van slachtoffers aanwijzingen te ‘lezen’. Niet zo verwonderlijk dus dat de recherche haar hulp inroept bij moordzaken waarbij de lichamen van de slachtoffers inmiddels zo onherkenbaar zijn, dat de gewone identificatiemethoden geen uitkomst bieden. Haar al even briljante collega’s in het Medico-Legal Laboratory van het Jeffersonian Institute, zijn onder andere de nuchtere en gevatte Angela Montenegro (Michaela Conlin (o.a. The D.A)) die een unieke methode heeft bedacht om materiaal van een plaats delict driedimensionaal op het computerscherm te toveren; verder Zack Addy (Eric Millegan), een jong talent wiens IQ zijn twee doctoraalstudies zowaar in de weg zit; en tot slot de man van de insecten en de torretjes, dr. Jack Hodgins (TJ Thyne (o.a. How the Grinch Stole Christmas)), een expert op het gebied van insecten, sporen en mineralen en een bovenmatige belangstelling voor samenzweringen. Brennans baas is de imposante laboratoriumdirecteur dr. Daniel Goodman (Jonathan Adams (o.a. American Dreams)). Regelmatig wordt Brennan opgezadeld met special agent Seeley Booth (David Boreanaz (o.a. Angel)), een ex-sluipschutter uit het leger die weinig moet hebben van de wetenschap en haar beoefenaars wanneer het aankomt op het oplossen van een misdaad. Zowel beroepshalve als op het persoonlijke vlak botst het regelmatig tussen Brennan en Booth, maar tot nu toe is deze onderlinge verhouding alleen in Brennans laatste misdaadroman fictief aan bod gekomen.





PRODUCTIEMAATSCHAPPIJ

SCENARIOSCHRIJVER

20th Century Fox Television

Hart Hanson

HOOFDPRODUCENTEN

REGISSEUR

Barry Josephson en Hart Hanson

Greg Yaitanes

De cast

Emily Deschanel speelt de rol van dr. Temperance Brennan.

Emily Deschanel kan zichzelf inmiddels een van Hollywoods meest opvallende rijzende sterren noemen. Het afgelopen jaar was ze te zien in grote films als Cold Mountain van regisseur Anthony Minghella, The Alamo van John Lee Hancock en Spiderman 2 van Sam Raimi. In oktober 2004 werd ze door het blad Interview in het jaarlijkse nummer over ‘jong Hollywood’ getipt als een van de jonge acteurs die het wel eens konden gaan maken. Ook speelde ze naast Josh Lucas en Derek Luke een hoofdrol in de film Glory Road van producent Jerry Bruckheimer, die in januari 2006 in de Verenigde Staten in première ging. Deschanel was in 2003 te gast op het Internationale Filmfestival van Toronto en op het Sundance-filmfestival van 2004 met de onafhankelijke film Easy, geregisseerd door Jane Weinstock.Voor tv kreeg ze onder meer gastrollen in de serie Crossing Jordan, Providence, en Law %26 Order: SVU. Als lid van de Interact Theatre Company speelde ze de theaterrol van Emily in Our Town en van Na asha in De drie gezusters. Ze is geboren in Los Angeles en studeerde in Boston aan de kleinkunstacademie.





Hoofdrol

Als dr. Temperance Brennan in Bones (2005)
Films, korte series, speciale rollen
- Boogeyman (2005)
- Spiderman 2 (2004)
- The Alamo (2004)
- Cold Mountain (2003)
- Rose Red (2002)
- The Heart Department (2001)
- It's a Shame About Ray (2000)
- It Could Happen To You (1994)

David Boreanaz speelt de rol van special agent Seeley Booth.

Hoewel hij nog relatief jong was toen hij een gastrol in de serie Buffy the Vampire Slayer kreeg, werd hij al snel opgemerkt dankzij zijn broeierige speelstijl als de mysterieuze en getormenteerde Angel. Enige tijd later zou hij deze rol ook in de gelijknamige televisieserie spelen. Boreanaz, geboren in Philadelphia waar zijn vader jarenlang weerman was, maakte al op jonge leeftijd kennis met de tv-wereld en verhuisde na het behalen van zijn diploma aan het Ithaca College naar Los Angeles om in Hollywood zijn geluk te beproeven. Terwijl hij acteerlessen volgde, leefde hij het leven van een straatarme kunstenaar die met baantjes als autoparkeerder, huisschilder en uitdeler van handdoeken in een fitnesscentrum het hoofd boven water probeerde te houden. Zijn eerste grote kans kwam met een gastrol in Married… with Children, waarin hij het bikervriendje speelde van Kelly Bundy Recentelijk speelde hij onder meer in de romantische komedie I’m with Lucy, met als tegenspelers Monica Potter, Henry Thomas en Anthony La Paglia. Daarnaast had hij een grote rol in de thriller Valentine. Andere belangrijke rollen waren onder meer in Aspen Extreme, Best of the Best 2 en The Crow: Wicked Prayer. Verder acteerde hij in grote onafhankelijke films als Mr. Fix It en The Hard Easy, en kreeg hij een hoofdrol in These Girls. Zijn theaterwerk omvat stukken als Hat Full of Rain, Italian-American Reconciliation, Fool for Love en Cowboy Mouth. Hij is dol op golfen en reizen en woont samen met zijn vrouw, de actrice Jaime Bergmann, en hun zoon Jaden Rayne in Los Angeles.




Hoofdrollen

Als special agent Seeley Booth in Bones (2005)
Als Angel in Angel (1999)
Als Angel in Buffy the Vampire Slayer (1997)
Als de stem van Angel in Buffy the Animated Series

Films, korte series, speciale rollen

- Death, afl: The Crow: Wicked Prayer (2005)
- I'm with Lucy (2003)
- Valentine (2001)
- M Awards (2001)
- The Keenen Ivory Wayans Show (1997)
- Macabre Pair of Shorts (1996)
- Aspen Extreme (1993)
- Best of the Best I (1993)
- The Hard Easy
- The Perfect Lie

Michaela Conlin speelt de rol van Angela Montenegro.

Michaela Conlin is geboren en getogen in Allentown, Pennsylvania. Op haar zesde stond ze voor het eerst op het toneel en ze acteerde jarenlang in talloze regionale en amateurproducties. Ze verhuisde naar New York omdat ze naar de toneelschool wilde en werd aangenomen op de kleinkunstacademie van de universiteit aldaar. Tijdens haar studie speelde ze in verscheidene producties van de Atlantic Theater Company en de Playwrights Horizons Theater School en reisde ze naar Amsterdam om deel te nemen aan het internationale opleidingsprogramma van het Experimenteel Theater. Na haar afstuderen werd ze gevraagd voor de documentairereeks The It Factor door een lokaal netwerk dat zich richtte op het wel en wee van jonge acteurs in New York. Kort daarna verhuisde ze naar Los Angeles, waar ze voor de serie MDs al snel een hoofdrol kreeg als de jonge, idealistische internist die onder de hoede wordt genomen van twee rebelse artsen, gespeeld door William Fichtner en John Hannah. Daarna volgde een hoofdrol als uitgesproken politieke adviseur tegenover Steven Weber als officier van justitie in de dramaserie The DA. Naast haar vele werk voor tv verscheen ze ook in enkele films, onder andere in Garmento en Love the Hard Way, met in de hoofdrol Adrien Brody. Onlangs rondde ze de opnamen af voor de onafhankelijke productie Open Window, met als tegenspeler Robin Tunney.





Hoofdrollen

Als Angela Montenegro in Bones (2005)
Als Jinette McMahon in The DA (2004)
Als Maggie Yang in MDs (2002)
Als zichzelf in The It Factor (2002)

Eric Millegan speelt de rol van Zack Addy.

Eric Millegan werd geboren in Hackettstown, New Jersey, en groeide op in Springfield, Oregon. Zijn lijst van tv-rollen omvat onder meer Law %26 Order en Sidney Lumets 100 Centre Street. Op het witte doek speelde hij de hoofdrol van Ed Simone in Online, die tot de officiële selectie werd gekozen van het Internationale Filmfestival in Berlijn, het Sundance-filmfestival en het Cinequest-filmfestival, waar het een prijs kreeg voor de film met de beste verhaallijn. In New York speelde hij diverse theaterrollen, onder meer de Broadway-revival van Jesus Christ Superstar, de Encores-opvoering van Hair in het City Center (waarin hij de ‘Aquarius’-solo zong), en de New-Yorkse première van Dead Man Walking in het Lincoln Center. Verder heeft hij hoofdrollen gespeeld in workshops en voordrachten onder regie van Michael Mayer; The Wayside Inn, onder regie van Jason Moore; Uncle Broadway; Mask, van Barry Mann en Cynthia Weil en onder regie van Richard Maltby jr, en in het huidige succes buiten Broadway, Altar Boyz. Zijn regionale theaterwerk omvat onder meer rollen in het Guthrie Theater, het Playhouse in the Park van Cincinnati, het Repertory Theater van Saint Louis en het Paper Mill Playhouse, waar hij bij de wereldpremière van Harold %26 Maude: The Musical van Tom Jones en Joseph Thalkens de hoofdrol van Harold vervulde, met Oscarwinnares Estelle Parsons als Maude. Millegans gevarieerde carrière omvat tevens de rol van dansende ijsbeer in de Radio City Christmas Spectacular op Myrtle Beach, Florida; het schrijven van een sportcolumn als ‘fan’ van de Portland Trail Blazers voor OregonLive.com; als gastheer voor Broadway La Cage in Atlantic City; en als zanger van het nationale volkslied tijdens de zevende inning in het Shea Stadium, waarna de Mets zes homeruns achter elkaar scoorden. Millegan is alumnus van het Interlochen Arts Camp en heeft aan de kleinkunstacademie in Michigan gestudeerd.



Hoofdrollen

Als Zack Addy in Bones (2005) Als Ed Simone in Online

TJ Thyne speelt de rol van dr. Jack Hodgins.

TJ Thyne komt uit Boston, maar als kind verhuisde hij regelmatig. Al op jonge leeftijd kreeg hij verschillende hoofdrollen in theaterstukken door het hele land, onder meer in Van Gogh door de Mint Theater Company in New York. Hij nam les aan diverse toneelscholen in Amerika en studeerde af aan de theateropleiding van de universiteit van Californië waar hij vier jaar had gestudeerd alvorens audities te gaan doen. Het duurde niet lang of hij had al vijfenveertig gastrollen in televisieseries op zijn naam staan, waaronder Friends, Cold Case, Boston Legal, Nip/Tuck, CSI: NY, CSI: Crime Scene Investigation, Huff en recentelijk THE O.C. en 24. Filmrollen zijn onder meer die van Stu Lou Who in How the Grinch Stole Christmas, met Jim Carrey, als de jonge advocaat David Foil in Erin Brockovich, met Julia Roberts, als Gerald in How High met Method Man en Redman, alsmede in Something’s Gotta Give, What Women Want, Edtv en Ghost World.






Hoofdrol

Als dr. Jack Hodgins in Bones (2005)
Films, korte series, speciale rollen
- Something’s Gotta Give (2003)
- Heartbreakers (2001)
- What Women Want (2000)
- Erin Brockovich (2000)
- Preston Tylk (2000)
- Edtv (1999)

Jonathan Adams speelt de rol van dr. Goodman.

Jonathan Adams is geboren en getogen in Pittsburgh als jongste van vijf kinderen. Als zoon van een vader die in de gezondheidszorg en later als voorman bij General Electric werkzaam was, besefte Adams op zijn zestiende dat ‘acteren het enige was dat me plezier gaf’. Na eerst op de middelbare school in toneelstukken te hebben geacteerd, meldde hij zich aan op de Carnegie Mellon University om theaterwetenschappen te gaan studeren. Toen na anderhalf jaar zijn geld op was, probeerde hij in de levendige theaterwereld van Pittsburgh aan de slag te komen en kreeg hij uiteindelijk een rol in Arthur Millers stuk Danger: Memory! Na nog wat meer toneelwerk te hebben gedaan kreeg hij een hoofdrol in een lokale low-budgetfilm Two Evil Eyes. In 1989 verhuisde hij naar Seattle. Adams speelde belangrijke rollen in klassieke toneelproducties en in veel stukken van de hand van August Wilson, die in heel Amerika werden opgevoerd. In 1994 trouwde hij met actrice Monica Farrell, en drie jaar later, toen hij op het Oregon Shakespeare Festival in verscheidene stukken zijn opwachting maakte, vestigde het paar zich in Ashland, Oregon. In de vier seizoenen aldaar speelde hij onder andere in De getemde feeks, Een midzomernachtsdroom en Cymbeline. Zijn grote doorbraak kwam in 2000 met zijn rol als Petruchio in De getemde feeks, toen de castingdirector voor Frasier hem zag en zei dat hij naar Los Angeles moest komen voor een auditie. Zijn tv-rollen omvatten gastrollen in Frasier; City of Angels; Walker, Texas Ranger; Felicity en een terugkerende rol als de Amerikaanse consul-generaal in Londen in de serie The American Embassy. Zijn vrije tijd brengt Adams het liefst door met zijn vrouw en twee kinderen. Ook houdt hij van schaken en leest hij graag historische romans en sciencefiction.



Hoofdrollen

Als dr. Goodman in Bones (2005)
Als Henry Walker in American Dreams (2002)
Als Elque Polk in The American Embassy (2002)
Films, korte series, speciale rollen
- Als extra stem in Osmosis Jones (2001)
- Als Hammer in Two Evil Eyes (1991)



Voorpublicatie Gebroken

Kathy Reichs - Gebroken - 2007 - De Boekerij - Amsterdam

Het is alsof de duvel ermee speelt. Je staat op het punt een project af te ronden als iemand stomtoevallig een spectaculaire vondst doet. Oké, ik overdrijf. Maar evengoed was dat zo ongeveer wat er gebeurde. En het uiteindelijke resultaat was heel wat verontrustender dan de meest recente vondst van een potscherf of een haardstede. Het was 18 mei, de voorlaatste dag van het archeologisch veldwerkproject. Onder mijn leiding werkten twintig studenten aan een opgraving op Dewees, een eilandje ten noorden van Charleston, South Carolina.

Er hing ook een verslaggever rond. Met het IQ van plankton.`Zestien lijken?’ Plankton haalde een notitieboekje met spiraalrug tevoorschijn terwijl visioenen van Dahmer en Bundy door zijn brein flitsten. `Is de identiteit van de slachtoffers bekend?’ `Het zijn prehistorische graven.’ Twee ogen rolden omhoog onder pafferige oogleden. `Ouwe indianen?’ `Autochtone Amerikanen.’ `Hebben ze me hiernaartoe gestuurd voor een artikel over dode indianen?’ Niet bepaald een toonbeeld van politieke correctheid, deze knaap. `Ze?’ IJzig. `De Moultrie News. Het wijkorgaan van East Cooper.’

Zoals Rhett Butler tegen Scarlett O’Hara zei, is Charleston een stad die gekenmerkt wordt door de gemoedelijke sfeer van vervlogen tijden. Het centrum wordt gevormd door de Peninsula, een wijk met vóór de Amerikaanse burgeroorlog gebouwde huizen, met kasseien geplaveide straten en markten, begrensd door de Ashley River en de Cooper River. Inwoners van Charleston delen hun stad in aan de hand van deze waterwegen. Wijken worden aangeduid als ‘West Ashley’ of ‘East Cooper’. East Cooper omvat Mount Pleasant en drie eilandjes, Sullivan’s, Isle of Palms, en Dewees. Ik nam aan dat Planktons blad zich op de gebeurtenissen in dat gedeelte van de stad concentreerde.`En u bent?’ vroeg ik.`Homer Winborne.’ Met zijn stoppelbaard en fastfoodpens zag hij er eerder uit als Homer Simpson. `We zijn hier druk aan het werk, meneer Winborne.’ Winborne negeerde mijn opmerking. `Is dat niet illegaal?’ `We hebben een vergunning. Er gaat gebouwd worden op het eiland, en op dit stuk grond komen huizen te staan.’ `Waarom al die moeite?’ Er parelden zweetdruppeltjes op Winbornes voorhoofd. Terwijl hij een zakdoek tevoorschijn haalde, zag ik een teek over zijn boord kruipen. `Ik ben antropologe aan de Universiteit van North Carolina in Charlotte. Mijn studenten en ik zijn hier op verzoek van de staat.’

Het eerste gedeelte was waar, het tweede niet helemaal. In feite was het als volgt gegaan. In mei, tijdens de korte collegeperiode vóór de zomervakantie, organiseerde de Nieuwe Wereld-archeoloog van uncc normaliter een opgraving voor en door studenten. Eind maart van dit jaar had de dame aangekondigd dat ze een aanstelling aan Purdue had geaccepteerd. Ze was de hele winter druk in de weer geweest met het versturen van cv’s en had het veldwerkproject op zijn beloop gelaten. Sayonara. Geen instructeur. Geen locatie. Hoewel mijn specialisme de forensische geneeskunde is en ik me tegenwoordig bezighoud met de doden die naar lijkschouwers en pathologen-anatomen worden gestuurd, waren mijn studie en het begin van mijn professionele carrière gewijd aan de niet zo recent overledenen. Voor mijn doctoraalscriptie had ik duizenden prehistorische skeletten onderzocht, afkomstig uit Noord-Amerikaanse grafheuvels. Het veldwerkproject is een van de populairste cursussen van de antropologische faculteit en was zoals gebruikelijk helemaal volgeboekt. Het onverwachte vertrek van mijn collega had paniek veroorzaakt bij de voorzitter van de faculteit. Hij smeekte me om het over te nemen. De studenten rekenden erop! Een terugkeer naar mijn wortels! Twee weken aan het strand! Extra salaris! Even dacht ik dat hij er nog een Buick tegenaan zou gooien.

Ik had Dan Jaffer voorgesteld, een bioarcheoloog en mijn professionele tegenhanger in South Carolina. Ik beriep me op zaken die mogelijk op me lagen te wachten bij de gerechtelijke medische dienst in Charlotte, of op het Laboratoire de Sciences Judiciaires et de Médecine Légale in Montréal, de twee instanties waarvoor ik regelmatig werk. De voorzitter zag wel iets in mijn suggestie. Goed idee, slechte timing. Dan Jaffer was op weg naar Irak. Ik had contact opgenomen met Jaffer en hij had Dewees gesuggereerd als mogelijke locatie voor een opgraving. Daar stond een begraafplaats op de nominatie om geruimd te worden, en hij had pogingen in het werk gesteld om de bulldozers op een afstand te houden totdat het belang van de locatie kon worden vastgesteld. Zoals te verwachten viel, liet de projectontwikkelaar zich niets gelegen liggen aan zijn verzoeken. Ik had contact opgenomen met het bureau van de staatsarcheoloog, en op Dans voorspraak hadden ze mijn aanbod geaccepteerd om een aantal testsleuven te graven, zeer tot ongenoegen van de projectontwikkelaar.

En nu was ik dus hier. Met twintig studenten. En, op onze dertiende en voorlaatste dag, meneer Plankton. Mijn geduld begon op te raken. `Naam?’ Voor hetzelfde geld had Winborne naar graszaad kunnen informeren.Ik bedwong de neiging om weg te lopen. Geef hem nou maar wat hij wil, hield ik mezelf voor. Dan verdwijnt hij wel. Of, als het meezit, bezwijkt hij aan de hitte. `Temperance Brennan.’ `Temperance?’ Geamuseerd. `Ja, Homer.’ Winborne haalde zijn schouders op. `Die naam hoor je niet zo vaak.’ `Ik word Tempe genoemd.’ `Net als dat stadje in Utah.’ `Arizona.’ `Juist. Wat voor soort indianen?’ `Waarschijnlijk Sewee.’ `Hoe wist u dat er hier iets op te graven viel?’ `Via een collega aan usc-Columbia.’ `Hoe wist hij het?’ `Hij ontdekte grafheuveltjes toen hij een onderzoek instelde nadat het nieuws bekend was geworden dat er hier gebouwd zou gaan worden.’

Winborne maakte aantekeningen in zijn notitieboekje. Of misschien probeerde hij tijd te winnen om voor de dag te komen met zijn idee van een intelligente vraag. In de verte hoorde ik het gekwebbel van studenten en het gekletter van emmers. Boven ons krijste een zeemeeuw en een soortgenoot antwoordde. `Grafheuveltjes?’ Niemand zou deze knaap nomineren voor een Pulitzerprijs.`Nadat de doden begraven waren, werden de graven afgedekt met hopen zand en schelpen.’ `Wat heeft het voor nut om ze op te graven?’ Dat deed de deur dicht. Ik besloot de onbenul af te poeieren door hem met het nodige jargon om de oren te slaan. `We weten niet veel af van de begrafenisrituelen van de oorspronkelijke zuidoostelijke kustpopulaties, en deze locatie zou etnohistorische theorieën kunnen onderbouwen of weerleggen. Veel antropologen geloven dat de Sewee behoorden tot de Cusabo-stam. Volgens sommige bronnen omvatten de begrafenisrituelen van de Cusabo het ontvlezen van het lijk, waarna de beenderen al dan niet gebundeld in kisten werden gelegd. Andere bronnen beschrijven hoe lijken op stellages werden gelegd om ze tot ontbinding te laten overgaan alvorens ze in gemeenschappelijke graven ter aarde te bestellen.’ `Gatverdamme, wat een onsmakelijk verhaal.’ `Onsmakelijker dan een lijk te laten leegbloeden en het bloed te vervangen door chemische conserveermiddelen, vervolgens was en reukstoffen te injecteren en make-up aan te brengen om te suggereren dat iemand nog leeft, en het lijk daarna in luchtdichte doodskisten en graftombes te begraven om ontbinding tegen te gaan?’

Winborne keek me aan alsof ik Sanskriet had gesproken. `Wie doen dat?’ `Wij.’ `Wat vindt u hier zoal?’ `Beenderen.’ `Alleen maar beenderen?’ De teek kroop nu over Winbornes hals. Zou ik hem waarschuwen? Ach, laat ook maar. De man was zo irritant als de pest. `Het skelet vertelt een verhaal over een individu. Geslacht. Leeftijd. Lengte. Afstamming. In bepaalde gevallen, medische geschiedenis of doodsoorzaak.’ Terwijl ik een veelbetekenende blik op mijn horloge wierp, vervolgde ik: `Oude beenderen vormen een bron van informatie over uitgestorven populaties. Hoe de mensen leefden, hoe ze stierven, wat ze aten, aan welke ziektes ze leden...’ Winbornes blik gleed over mijn schouder. Ik keek achterom.

Topher Burgess kwam onze kant op, met diverse vormen van organische en anorganische ongerechtigheden aan zijn gebruinde torso gekleefd. Met zijn kleine, mollige gestalte, wollen muts, ziekenfondsbrilletje en lange bakkebaarden deed hij me denken aan een studentenuitvoering van Smee, Captain Hooks bootsman in Peter Pan. `Afwijkend skelet in drie-oost.’ Ik wachtte af, maar Topher gaf geen nadere uitleg. Dat verbaasde me niet echt. Schriftelijke tentamenvragen werden door Topher dikwijls beantwoord met één enkele zin. Voorzien van illustraties. `Afwijkend?’ zei ik op aanmoedigende toon. `Het is nog intact.’ Een hele zin. Bevredigend, maar niet verhelderend. Ik nodigde hem met een handgebaar uit om vooral van zijn hart geen moordkuil te maken. `We denken aan intrusie.’ Topher verplaatste zijn gewicht van de ene blote voet naar de andere. Er viel heel wat te verplaatsen. `Ik kom er zo aan.’ Topher knikte, draaide zich om en sjokte terug naar de plek waar ze aan het graven waren. `Wat is er voor bijzonders aan een intact skelet?’ De teek had Winbornes oor bereikt en leek te aarzelen welke route hij zou kiezen.

`Dat is ongebruikelijk bij begrafenissen waarbij het stoffelijk overschot in de grond wordt gestopt nadat het vlees verdwenen is. De beenderen liggen normaal gesproken schots en scheef door elkaar. Af en toe worden er in dergelijke gemeenschappelijke graven één of twee intacte skeletten aangetroffen.’ `Hoe dat zo?’ `Daar kunnen allerlei redenen voor zijn. Misschien ging er iemand dood vlak voordat een gemeenschappelijk graf gedicht zou worden. Misschien wilde de groep verder trekken en hadden ze geen tijd om te wachten tot het ontbindingsproces voltooid was.’ Terwijl hij druk in zijn notitieboekje krabbelde, verdween de teek uit het zicht. `Intrusie. Wat wil dat zeggen?’ `Dat een lijk later in het graf is bijgeplaatst. Wilt u het misschien van wat dichterbij bekijken?’ `Heel graag.’ Terwijl hij met zijn zakdoek zijn voorhoofd bette, zuchtte Winborne alsof hij op het toneel stond. Ik streek met mijn hand over mijn hart. `Er zit een teek onder uw boord.’ Winborne reageerde sneller dan mogelijk leek voor een man van zijn postuur. In één beweging boog hij zich voorover, rukte aan zijn boord en sloeg op zijn nek. De teek viel op het zand en krabbelde overeind, kennelijk gewend aan dergelijk afwijzend gedrag.

Ik ging op weg, omzeilde bosjes zeehaver, de halmen bewegingloos in de drukkende atmosfeer. Het was pas mei, en nu al steeg het kwik tot boven de dertig graden. Hoewel ik gek ben op de laaglanden, was ik blij dat ik hier van de zomer niet hoefde te graven. Ik liep snel, in het besef dat Winborne me niet bij zou kunnen houden. Vals? Jawel. Maar tijd was kostbaar. Ik was niet van plan die te verspillen aan een of andere oen van een verslaggever. Bovendien had ik een zuiver geweten met betrekking tot de teek.

Uit de gettoblaster van een van de studenten schalde een nummer dat ik niet herkende, van een mij onbekende groep waarvan ik me de naam ook niet zou herinneren als ik die ooit gehoord had. Ik zou de voorkeur hebben gegeven aan het geluid van de zeevogels en de branding, hoewel de muziekselectie vandaag beter was dan de hardrock waar de jongelui gewoonlijk de voorkeur aan gaven. Terwijl ik op Winborne wachtte, liet ik mijn blik over de opgraving gaan. Twee testsleuven waren al uitgegraven en weer dichtgegooid. De eerste had uitsluitend steriele grond opgeleverd. In de tweede waren menselijke beenderen aangetroffen, een voorlopige rechtvaardiging van Jaffers vermoedens. Drie andere sleuven lagen nog steeds open. Bij elk ervan waren studenten in de weer met troffels, zeulden ze met emmers, en ziftten ze grond door op zaagbokken rustende zeven. Topher maakte foto’s bij de meest oostelijke sleuf. De rest van zijn groep zat met gekruiste benen te kijken naar datgene wat zijn aandacht had getrokken. Winborne voegde zich puffend en blazend bij me. Naar adem snakkend veegde hij het zweet van zijn voorhoofd.

`Warm vandaag,’ zei ik. Winborne knikte. Zijn gezicht had de kleur van een frambozensorbet. `Gaat het een beetje?’ `Ja hoor.’ Ik stond op het punt om me bij Topher te voegen toen Winbornes stem me tegenhield. `We krijgen bezoek.’ Toen ik me omdraaide, zag ik een man met een roze poloshirt en een kaki broek onze richting uit komen, dwars over de duinen heen in plaats van eromheen te lopen. Hij was klein van postuur, nauwelijks groter dan een kind, met gemillimeterd zilvergrijs haar. Ik herkende hem meteen. Richard L. ‘Dickie’ Dupree, ondernemer, projectontwikkelaar, en een eersteklas hufter. Dupree was in het gezelschap van een basset waarvan de tong en de buik nog net de grond niet raakten.

Eerst een verslaggever, nu Dupree. Dit werd duidelijk een dag om maar snel te vergeten. Dupree negeerde Winborne en stevende recht op mij af met de zelfingenomenheid van een taliban-moellah. De basset hield even stil om zijn poot op te tillen bij een bosje zeehaver. We kennen allemaal het begrip persoonlijke ruimte, de afstand die er moet blijven bestaan tussen onszelf en anderen. Voor mij is die afstand vijfenveertig centimeter. Als je daarbinnen komt, raak ik geïrriteerd. Sommige onbekenden komen te dichtbij omdat ze slecht zien of horen. Anderen vanwege verschillende culturele mores. Zo niet Dickie. Dupree geloofde dat fysieke nabijheid hem meer zeggingskracht verleende. Hij bleef op een afstand van dertig centimeter voor me staan, sloeg zijn armen over elkaar en keek me aan. `Jullie houden er morgen mee op, neem ik aan.’ Meer een constatering dan een vraag. `Dat klopt.’ Ik deed een stap achteruit. `En dan?’ Duprees gezicht had iets van een vogelkop, met scherpe beenderen onder een roze, doorschijnende huid. `Ik dien volgende week een voorlopig rapport in bij het bureau van de staatsarcheoloog.’ De basset kwam aanlopen en begon aan mijn been te snuffelen. Het dier zag eruit alsof het minstens tachtig was. `Kolonel, doe niet zo ongemanierd tegen de jongedame.’ Tegen mij: `Kolonel wordt een dagje ouder. Af en toe vergeet hij zijn manieren.’De jongedame krabde Kolonel achter een schurftig oor. `Vervelend om mensen te moeten teleurstellen vanwege een stelletje ouwe indianen.’ Dupree vergastte me op wat hij ongetwijfeld beschouwde als de glimlach van een zuidelijke gentleman. Die oefende hij waarschijnlijk voor de spiegel als hij zijn neushaartjes knipte. `Veel mensen beschouwen het erfgoed van dit land als iets waardevols,’ zei ik. `Maar we kunnen de vooruitgang toch niet laten tegenhouden door dat soort dingen?’ Ik reageerde niet. `U begrijpt mijn positie, mevrouw?’ `Jazeker, meneer.’

Ik verfoeide Duprees positie. Hij was uitsluitend geïnteresseerd in geld verdienen, op welke manier dan ook, zolang het hem maar niet in aanraking bracht met justitie. Hij had geen enkele boodschap aan het regenwoud, het moerasland, de kust, de duinen, de cultuur die hier heerste toen de Engelsen arriveerden. Dickie Dupree zou de tempel van Artemis slopen als die op een plek stond waar hij appartementen uit de grond wilde stampen. Achter ons hield Winborne zich stil. Ik wist dat hij meeluisterde. `En wat komt er in dat fraaie document te staan?’ Weer die glimlach van de zuidelijke gentleman. `Dat zich hier in de bodem een precolumbiaanse begraafplaats bevindt.’ Duprees glimlach leek het even te begeven, maar hield toch stand. Kolonel, die de gespannen atmosfeer aanvoelde of zich misschien gewoon verveelde, liet mij in de steek en waggelde naar Winborne. Ik veegde mijn hand af aan mijn afgeknipte spijkerbroek. `U kent die lui in Columbia net zo goed als ik. Een dergelijk rapport zal de nodige vertraging opleveren en dat gaat me geld kosten.’ `Een archeologische vindplaats is onvervangbaar cultureel erfgoed. Als dat eenmaal verdwenen is, is het voorgoed verdwenen. Ik kan mijn bevindingen niet laten beïnvloeden door uw belangen, meneer Dupree.’ De glimlach verdween en Dupree keek me met een koele blik aan. `Dat zullen we dan nog wel eens zien.’ De bedekte bedreiging werd nauwelijks verzacht door de lijzige toon waarop ze werd uitgesproken. `Inderdaad, meneer.’

Dupree haalde een pakje mentholsigaretten uit zijn zak en stak er een op. Hij liet de lucifer vallen, inhaleerde diep, knikte naar me, draaide zich om en liep terug in de richting van de duinen, terwijl Kolonel achter hem aan waggelde. `Meneer Dupree,’ riep ik hem na. Dupree bleef staan, maar draaide zich niet om. `Het is uit milieuoogpunt onverantwoord om over de duinen te lopen.’ Dupree maakte een wuivend gebaar en vervolgde zijn weg. Ik voelde woede en walging in me opkomen. `Dickie is niet uw keus voor de Man van het Jaar?’ Ik draaide me om. Winborne haalde een reepje Juicy Fruit uit de verpakking. Ik keek toe terwijl hij de kauwgum in zijn mond stak en tartte hem met mijn blik om het papiertje op de grond te laten vallen zoals Dupree met zijn lucifer had gedaan. De boodschap kwam over. Zonder iets te zeggen draaide ik me om en liep naar drie-oost. Ik hoorde Winborne achter me aan sjokken.

De studenten hielden op met hun gekwebbel toen ik me bij hen voegde. Vier paar ogen keken toe toen ik in de sleuf sprong. Topher gaf me een troffel aan. Ik liet me op mijn hurken zakken en werd omhuld door de geur van vers omgewoelde aarde. En nog iets anders. Een zoetige stank. Zwak, maar onmiskenbaar. Een geur die er niet zou moeten zijn. Mijn maag trok zich samen. Ik ging op handen en knieën zitten en bestudeerde Tophers vondst, een gedeelte van een wervelkolom die halverwege de westelijke wand van de sleuf naar buiten stak. Boven me leverden studenten commentaar. `We waren de wanden aan het egaliseren, snapt u, zodat we foto’s konden maken van de stratigrafie.’ `We zagen dat de grond op een bepaalde plek verkleurd was.’ Topher voegde er nog wat beknopte details aan toe. Ik luisterde niet. Ik was druk in de weer met de troffel, en met elk beetje grond dat ik wegschraapte, nam mijn bezorgdheid toe.Na een halfuur schrapen had ik een wervelkolom en een bovenste bekkenring blootgelegd. Ik ging er even bij zitten, terwijl er een tinteling van vrees over mijn schedel trok. De botten waren met elkaar verbonden door spierweefsel en gewrichtsbanden. Terwijl ik ernaar zat te staren, kwam de eerste vlieg aanzoemen, de zon iriserend op het smaragdgroene lijfje.

O, mijn god. Ik kwam overeind en veegde de aarde van mijn knieën. Ik moest een telefoon zien te vinden. Dickie Dupree had heel wat meer om zich zorgen over te maken dan de oude Sewee.


Voorpublicatie Tot stof vergaan

Kathy Reichs - Tot stof vergaan - 2007 - De Boekerij - Amsterdam

Baby's gaan dood. Mensen verdwijnen. Mensen gaan dood. Baby's verdwijnen. Met die waarheden werd ik al vroeg geconfronteerd. Natuurlijk begreep ik als kind wel min of meer dat er aan het leven ooit een einde komt. Op school hadden de nonnen het over de hemel, het vagevuur, het voorgeborchte en de hel. Ik wist dat oudere mensen zouden 'heengaan'. Zo omzeilde mijn familie het onderwerp. Mensen gingen heen. Gingen bij God wonen. Rustten in vrede. En dus accepteerde ik op mijn eigen onbeholpen manier dat het aardse leven tijdelijk was. Niettemin ervoer ik de dood van mijn vader en mijn kleine broertje als een verschrikkelijke klap. En voor de verdwijning van Evangeline Landry bestond gewoon geen enkele verklaring. Maar nu loop ik op de zaken vooruit. Het gebeurde als volgt.

Als klein meisje woonde ik aan de zuidkant van Chicago, aan de wat minder chique rand van een wijk genaamd Beverly. De wijk, aangelegd als plattelandsenclave voor de stedelijke elite na de Grote Brand van 1871, werd gekenmerkt door grote gazons en hoge iepen, en Ierse katholieke families met stambomen die wijder vertakt waren dan die iepen. Beverly, in mijn jeugd een tikkeltje haveloos, zou later opgewaardeerd worden door babyboomers die op zoek waren naar groen in de buurt van het centrum. Ons huis, oorspronkelijk een boerderij, was ouder dan alle andere in onze buurt. Het was een wit houten huis met groene luiken en het had een veranda die om het hele huis heen liep, een oude pomp in de achtertuin en een garage waar ooit paarden en koeien hadden gestaan. Ik bewaar gelukkige herinneringen aan die tijd en aan die plek. Als het vroor, schaatsten de kinderen uit de buurt op een ijsbaan die met behulp van tuinslangen op een onbebouwd stuk grond werd aangelegd. Papa hield me vast op mijn schaatsjes met dubbele ijzers, veegde half gesmolten sneeuw van mijn sneeuwpak als ik gevallen was. 's Zomers voetbalden we op straat, of speelden tikkertje of schipper mag ik overvaren. Mijn zusje Harry en ik vingen glimwormen in potjes met deksels waarin gaatjes waren gemaakt. Tijdens de eindeloze winters in het Midden-Westen verzamelden talloze ooms en tantes Brennan zich om te kaarten in onze wat sjofele zitkamer. De gang van zaken was altijd hetzelfde. Na het eten haalde mama kleine tafeltjes uit de gangkast, stofte ze af en klapte de pootjes uit. Harry legde de witte linnen kleedjes eroverheen, en ik zorgde voor de spellen kaarten, servetten, en pindaschaaltjes. Als het lente werd, werden de kaarttafeltjes verruild voor schommelstoelen op de veranda, en canasta en bridge maakten plaats voor conversatie waar ik niet veel van begreep. Warren-commissie. Golf van Tonkin. Chroesjtsjov. Kosygin. Dat vond ik niet erg. Het samenzijn van hen met wie ik mijn DNA-profiel deelde, bezorgde me een prettig gevoel, net als het gerinkel van muntjes in de Beverly Hillbillies-spaarpot op de toilettafel in mijn slaapkamer. De wereld was voorspelbaar, bevolkt door familieleden, onderwijzers, kinderen als ik uit gezinnen als het onze. Het leven bestond uit St. Margaret's School, de Kabouters, de heilige mis op zondag, dagkamp in de zomer. Toen overleed Kevin, en mijn zes jaar oude wereldje spatte uiteen in scherven van twijfel en onzekerheid. In mijn wereldbeeld nam de dood oude mensen mee, oudtantes met blauwe aderen op hun knokige handen en een doorschijnende huid. Niet kleine jongetjes met bolle rode wangetjes. Ik herinner me weinig van Kevins ziekte en nog minder van zijn begrafenis. Harry die naast me in de kerkbank heen en weer zat te schuiven. Een vlek op mijn zwarte lakschoen. Hoe kwam die daar? Het leek belangrijk om dat te weten. Ik staarde naar de kleine grijze vlek. Staarde weg van de werkelijkheid die zich om me heen ontvouwde.

De familie kwam uiteraard samen, met gedempte stemmen en strakke gezichten. Mama's kant kwam over uit North Carolina. Buren. Parochianen. Mannen van papa's advocatenkantoor. Vreemden. Ze aaiden me over mijn hoofd. Mompelden over de hemel en engelen.Het huis stond vol in aluminium- en plasticfolie verpakte stoofschotels en bakproducten. Normaal gesproken was ik gek op sandwiches waar de korsten van afgesneden waren. Niet vanwege de tonijn- of eiersalade waarmee ze belegd waren. Vanwege de pure decadentie van die frivole verspilling. Maar niet op die dag. Nooit meer. Vreemd welke uitwerking sommige gebeurtenissen op je hebben. Het overlijden van Kevin veranderde meer dan mijn opvatting over sandwiches. Het veranderde het hele podium waarop ik mijn leven geleefd had. Mijn moeders ogen, altijd vriendelijk en dikwijls vrolijk, stonden nu onveranderlijk verkeerd. Ze hadden donkere kringen en lagen diep in hun kassen. Mijn kinderlijke verstand was niet in staat die blik te interpreteren, ik voelde alleen dat ze bedroefd was. Jaren later zag ik een foto van een vrouw in Kosovo, wier man en zoon in geïmproviseerde lijkkisten lagen. Ik voelde een vonk van herinnering. Kende ik haar misschien? Onmogelijk. Toen het besef. Ik herkende dezelfde verslagenheid en hopeloosheid die ik in mama's starende blik had gezien. Maar het was niet alleen mama's uiterlijk dat veranderde. Zij en papa dronken niet langer een cocktail voor het eten en ze bleven ook niet meer na het eten aan tafel zitten praten met een kop koffie. Ze keken geen televisie meer nadat de afwas gedaan was en Harry en ik onze pyjama aan hadden getrokken. Ze hadden altijd graag naar komedies gekeken, waarbij ze elkaar aankeken als Lucy of Gomer iets grappigs deed. Dan pakte papa mama's hand en lachten ze. Aan het lachen kwam een eind toen Kevin bezweek aan leukemie. Mijn vader vluchtte weg, maar niet in zwijgend zelfmedelijden, zoals mama uiteindelijk. Michael Terrence Brennan, jurist, connaisseur en onverbeterlijke bon-vivant, nam zijn toevlucht tot een fles goede Ierse whisky. Vele flessen, in feite.

Aanvankelijk viel papa's afwezigheid me nauwelijks op. Net als bij een pijn die zo geleidelijk opkomt dat je niet meer precies weet wanneer hij ontstaan is, besefte ik op een dag dat papa er gewoon niet zo vaak meer was. Avondmaaltijden zonder hem kwamen veel vaker voor. Hij kwam steeds later thuis, totdat hij niet veel méér leek dan een fantoomaanwezigheid in mijn leven. Op sommige avonden hoorde ik onvaste voetstappen op de trap, een deur die te hard tegen een muur sloeg. Een toilet dat doorgetrokken werd. Dan stilte. Of gedempte stemmen uit de slaapkamer van mijn ouders, met een intonatie die duidde op beschuldigingen en wrok. Tot op de dag van vandaag bezorgt een telefoon die na middernacht overgaat me koude rillingen. Misschien ben ik een paniekzaaier. Of alleen maar een realist. In mijn ervaring brengen telefoontjes laat op de avond nooit goed nieuws. Er heeft een ongeluk plaatsgevonden. Een arrestatie. Een vechtpartij. Het telefoontje naar mama kwam achttien lange maanden na Kevins dood. Telefoons rin kelden in die tijd nog fatsoenlijk. Geen meerstemmige beltonen van Grillz of Sukie in the Graveyard. Ik werd wakker bij het eerste gerinkel. Toen de telefoon voor de derde keer rinkelde werd er opgenomen. Toen hoorde ik een zacht geluid, half schreeuw, half gekreun, en het geluid van een neerkletterende telefoonhoorn. Angstig trok ik het beddengoed op tot aan mijn ogen. Er kwam niemand naar mijn bed. Er was een ongeluk gebeurd, zei mama de volgende dag. Papa's auto was van de weg afgeraakt. Ze praatte nooit over het politierapport, het alcoholpromillage van 2,7. Die details kwam ik vanzelf wel aan de weet. Luistervink spelen doe je instinctief als je acht bent. Van papa's begrafenis herinner ik me nog minder dan van die van Kevin. Een bronzen doodskist met een boeketje witte bloemen erop. Eindeloze toespraken. Gedempt snikken. Mama die ondersteund werd door twee van de tantes. Belachelijk groen gras op de begraafplaats. Mama's familie kwam ditmaal in nog groteren getale opdagen. Neven en nichten wier nam ik me niet herinnerde. Door opnieuw luistervink te spelen, kwam ik het een en ander over hun plan te weten. Mama moest met haar kinderen weer terug naar huis. De zomer nadat papa overleed, was een van de warmste in de geschiedenis van Illinois, met temperaturen die wekenlang ruim boven de dertig graden bleven. Hoewel weerlieden het hadden over het verkoelende effect van Lake Michigan, woonden wij te ver van het water af, ervan gescheiden door te veel gebouwen en te veel beton. Voor ons geen verkoelend briesje vanaf het meer. In Beverly zetten we ventilators aan, zetten ramen open, en zweetten. Harry en ik sliepen op veldbedden op de afgeschermde veranda.

Gedurende de maanden juni en juli voerde oma Lee een 'kom terug naar het Zuiden'-telefooncampagne. Leden van de familie Brennan bleven op bezoek komen, maar nu in hun eentje, of met z'n tweeën, mannen met zweetplekken onder hun armen, vrouwen in katoenen jurken die slap langs hun lijf hingen. De conversatie was behoedzaam, mama nerveus en ze stond voortdurend op het punt om in tranen uit te barsten. Een oom of tante klopte haar zachtjes op de hand. Doe wat het beste is voor jou en de meisjes, Daisy. Ook al was ik nog maar een kind, toch voelde ik op de een of andere manier een zekere ongedurigheid in deze familiebezoekjes. Een groeiend ongeduld; het werd langzamerhand tijd dat er een eind aan het rouwen kwam en dat het leven hervat werd. De bezoekjes waren waken geworden, ongemakkelijk maar verplicht omdat Michael Terrence een van hen was geweest en de kwestie van de weduwe en de kinderen op een fatsoenlijke manier geregeld diende te worden. De dood bracht ook een verandering teweeg in mijn eigen sociale status. Kinderen die ik al mijn hele leven kende, meden me nu. En als we elkaar een enkele keer tegenkwamen, staarden ze naar hun voeten. Verlegen? Verward? Bang voor besmetting? De meesten vonden het gemakkelijker om weg te blijven.

Mama had ons niet opgegeven voor het dagkamp, dus Harry en ik brachten de lange bloedhete dagen in elkaars gezelschap door. Ik las haar verhaaltjes voor. We speelden bordspelletjes, poppenkast, of liepen naar Woolworth in 95th Street om stripblaadjes en vanillecola te kopen. In de loop van de weken ontstond er een kleine apotheek op mama's nachtkastje. Als ze beneden was, bestudeerde ik de medicijnflesjes met hun harde witte doppen en keurig getypte etiketten. Schudde ze. Tuurde door het gele en bruine plastic. De kleine capsules bezorgden me een onrustig gevoel. Mama nam haar besluit halverwege juli. Of misschien deed oma Lee dat wel voor haar. Ik luisterde toen ze het aan papa's broers en zussen vertelde. Ze klopten haar op de hand. Misschien is het ook maar het beste, zeiden ze, met in hun stemmen iets van, wat? Opluchting? Ach, wat weet een achtjarige nou van nuance?

Oma arriveerde op dezelfde dag dat er een bord in onze tuin verscheen. In de caleidoscoop van mijn herinnering zie ik haar uit de taxi stappen, een oude vrouw, zo mager als een vogelverschrikker, haar handen knokig en droog als een hagedis. Ze was die zomer zesenvijftig. Binnen een week zaten we in de Chrysler Newport die papa had gekocht voordat Kevins diagnose was gesteld. Oma reed. Mama zat naast haar. Harry en ik zaten achterin, van elkaar gescheiden door een barrière van spelletjes en kleurkrijtjes. Twee dagen later arriveerden we bij oma's huis in Charlotte. Harry en ik kregen de bovenslaapkamer met het groengestreepte behang. De klerenkast rook naar mottenballen en lavendel. Harry en ik keken toe terwijl mama onze jurkjes ophing. Winterjurken voor feestjes en voor in de kerk. Hoe lang blijven we, mama? We zullen wel zien. De hangertjes tikten zachtjes tegen elkaar. Gaan we hier naar school? We zullen wel zien. De volgende ochtend aan het ontbijt vroeg oma of we de rest van de zomer aan het strand zouden willen doorbrengen. Harry en ik staarden haar aan boven onze Rice Krispies, helemaal van de kaart door de enorme veranderingen die zich in ons leven voltrokken hadden. Natuurlijk willen jullie dat, zei ze. Hoe weet u wat ik wel of niet zou willen? dacht ik. U bent míj niet. Ze had natuurlijk gelijk. Oma had meestal gelijk. Maar dat was het punt niet. Er was weer een besluit genomen waar ik niets aan kon veranderen.

Twee dagen nadat we in Charlotte gearriveerd waren, nam ons kleine gezelschap weer plaats in de Chrysler, oma achter het stuur. Mama sliep, en werd alleen maar wakker toen het gierende geluid van onze banden aankondigde dat we de dam overstaken. Mama ging even rechtop zitten. Ze draaide zich niet naar ons om. Glimlachte niet en zong niet: 'Pawley's Island, here we come!' zoals ze in gelukkiger tijden gedaan had. Ze liet zich alleen maar weer achterover zakken. Oma gaf klopjes op mama's hand, het stereotiepe Brennan-gebaar. 'Het komt allemaal wel goed,' zei ze op sussende toon. 'Je zult zien, Daisy, liefje, dat alles best weer in orde komt.'En wat mij betrof klopte dat ook wel, zodra ik Evangeline Landry leerde kennen. En dat bleef zo gedurende de volgende vier jaar. Totdat Evangeline verdween.